ECLI:NL:RBDHA:2024:23573
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-12-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
AA Iran. Beroep gegrond. Referentiekader en bijzondere procedurele waarborgen. Derdenverklaring. Chatberichten en toegedichte homoseksualiteit.
Materiële kern
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.28359 (beroep) en NL24.28360 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 27 mei 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 juli 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 2 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de taal Farsi is Z. Asadi verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 12 april 2016 zijn eerste aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw 20001. Deze aanvraag is op 30 september 2016 door verweerder afgewezen en tegen eiser is een terugkeerbesluit uitgevaardigd. In de uitspraak van 3 november 20162 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling3 heeft in haar uitspraak van 29 december 20164 het hoger beroep van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft daarna op 26 februari 2018 een tweede – opvolgende – asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 14 november 2018 door verweerder afgewezen als kennelijk ongegrond en eiser heeft een inreisverbod opgelegd gekregen voor de duur van twee jaar. In de uitspraak van 20 december 20185 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard. De afwijzing van de derde asielaanvraag van eiser ligt nu in deze zaak voor. Het asielrelaas 4. Eiser heeft, samengevat weergegeven, aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij na het besluit tot afwijzing van zijn tweede asielaanvraag sinds ongeveer een jaar een relatie is gestart met de Nederlandse [naam 1] , waarmee eiser zijn eerder gestelde homoseksuele geaardheid wil aantonen. Tevens verklaart eiser dat er problemen zijn ontstaan met zijn oom in Iran. Eisers neef [naam 2] is homoseksueel en heeft eiser gevraagd om hulp, aangezien [naam 2] steeds meer druk van de familie begon te voelen om zijn nicht [naam 3] ten huwelijk te vragen. Eiser heeft toen een e-mail gestuurd naar COC Nederland om advies te vragen, waarna eiser vervolgens [naam 2] heeft geadviseerd eerlijk te zijn tegen deze vrouw over diens geaardheid. In Iran is de vader van [naam 2] achter eisers berichten gekomen en heeft eiser bedreigd. Het bestreden besluit 5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. In het asielrelaas van eiser heeft verweerder de volgende elementen als relevant gekwalificeerd: nationaliteit, identiteit en herkomst; relatie met [naam 1] ; problemen met de oom. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn 1. Vreemdelingenwet 2000. 2 Zaaknummer AWB 16/22770. 3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 4 201608349/1/V2. 5 Zaaknummer NL18.22206 . relatie met [naam 1] en de problemen met zijn oom naar aanleiding van zijn geaardheid niet geloofwaardig geacht. 5.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit allereerst op het standpunt gesteld dat het door eiser overgelegde rapport van [naam 4] , over de gebrekkige communicatiestijl van verweerder tijdens het gehoor in de vorige asielprocedure, niet kan worden aangemerkt als een relevante ontwikkeling voor eisers nieuwe asielaanvraag. Datzelfde geldt voor de door eiser ingebrachte informatie van OutRight Action International. De verklaringen over de nieuwe relatie en de problemen met de oom worden door verweerder wel als nieuwe feiten en ontwikkelingen aangemerkt en zijn als asielmotieven beoordeeld. Verweerder heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat eisers relatie met [naam 1] niet geloofwaardig kan worden geacht, omdat eiser zijn verklaringen over deze relatie niet heeft kunnen onderbouwen met objectieve bronnen. Zo is volgens verweerder niet te verifiëren of de brief die eiser heeft overgelegd daadwerkelijk van [naam 1] afkomstig is. Verder zijn er ook geen foto’s of video’s van [naam 1] en eiser overgelegd. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de relatie onsamenhangend en onaannemelijk zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder de problemen die eiser stelt te hebben met zijn oom niet geloofwaardig geacht. In dit kader heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd en tegenstrijdig heeft verklaard met betrekking tot het advies wat hij zou hebben gegeven aan zijn neef. Volgens verweerder is daarnaast niet duidelijk hoe de overgelegde chatberichten tussen eiser en zijn neef in verband staan met het gegeven dat eiser daadwerkelijk het doelwit is geworden van zijn oom. Ten slotte heeft verweerder in het bestreden besluit eiser tegengeworpen dat de connectie tussen eisers oom en de Iraanse inlichtingendienst enkel is gebaseerd op vermoedens van eiser. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank stelt vast dat [naam 1] , ondanks de aankondiging van eiser, niet op de zitting is verschenen. Door eiser is ter zitting meegedeeld dat de relatie met [naam 1] inmiddels is beëindigd en dat eiser ook geen contact meer heeft met [naam 1] . Referentiekader en bijzonder procedurele waarborgen 7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan het overgelegde rapport van [naam 4] , over de beperkingen die eiser kent met betrekking tot het verklaren over zijn asielrelaas. Eiser stelt dat de motivering van verweerder ontoereikend is, nu verweerder heeft geredeneerd dat het rapport van [naam 4] betrekking heeft op een gehoor dat tijdens de eerste asielaanvraag heeft plaatsgevonden en deze afwijzende beslissing in rechte vast is komen te staan na bekrachtiging van de Afdeling. Eiser stelt dat met de bevindingen van het rapport van [naam 4] wél rekening moest worden gehouden door verweerder in de onderhavige beoordeling, nu het rapport onderbouwt dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat eiser niet welbespraakt is en hij het lastig vindt om samenhangend over emoties en gevoelens te spreken. 7.1. Eiser heeft in dit kader ter zitting aangevoerd dat hij last heeft van psychische problematiek en dat het op dit moment niet goed met hem gaat. Eiser heeft verder verklaard dat hij lijdt aan schizofrenie, waarvoor hij op dit moment geen medicatie neemt. Ter onderbouwing van zijn psychische problematiek heeft eiser op zitting, naast het rapport van [naam 4] , ook verwezen naar overgelegde verklaringen van vrienden, waaruit blijkt dat eiser vanwege zijn psychische problematiek een tijd in het ziekenhuis opgenomen is geweest en moeite heeft met verklaren. Ook heeft eiser – zowel in het gehoor opvolgende aanvraag als op de zitting – gerefereerd aan zijn medisch dossier. Eiser heeft op zitting gesteld dat er daarom voldoende aanleiding was voor verweerder om in ieder geval MediFirst in te schakelen om een medisch advies uit te brengen voordat eiser zou worden gehoord. 7.2. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling6 is verweerder niet verplicht bij opvolgende asielaanvragen standaard een medisch onderzoek aan de vreemdeling aan te bieden. Dit laat onverlet dat verweerder gehouden is om tijdens het gehele onderzoek steeds te beoordelen of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Als informatie over de vreemdeling of het gedrag of uitlatingen van de vreemdeling voorafgaand of tijdens het gehoor daartoe aanleiding geeft, moet alsnog een medisch advies worden gevraagd. Verweerder moet niet alleen bij het gehoor, maar ook tijdens de behandeling van de asielaanvraag steeds in de gaten blijven houden of de vreemdeling toch behoefte heeft aan bijzondere procedurele waarborgen. Dit volgt ook uit het beleid van verweerder, vastgesteld in WI7 2021/9 ‘Bijzondere procedurele waarborgen’ in samenhang met WI 2021/12 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’. Uit WI 2021/12 volgt tevens dat van het van belang is dat verweerder in de besluitvorming inzichtelijk maakt dat en hoe rekening is gehouden met het referentiekader en de medische/psychische toestand van de vreemdeling. 7.3. De rechtbank is gezien het bovenstaande toetsingskader van oordeel dat er in deze opvolgende procedure concrete aanwijzingen zijn dat bij eiser sprake is van psychische problemen die zijn vermogen om adequaat te verklaren in de weg staan. Hoewel het overgelegde rapport van [naam 4] voornamelijk gaat over de vorige asielprocedure, volgt hieruit wel dat eiser moeite heeft met het overbrengen van zijn belevingen en vermijdingsgedrag vertoont.8 Dit gegeven was dus al bekend bij verweerder. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eisers vrienden en wat hij ter zitting heeft verklaard eveneens dat hij moeite heeft met verklaren en dat hij kampt met psychische problematiek. Dat eiser dit niet heeft onderbouwd met medische stukken, doet hier niet aan af. Zo volgt uit de bovengenoemde vaste rechtspraak van de Afdeling dat het immers aan verweerder is om in de gaten te houden en te beoordelen of een vreemdeling tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag bijzondere procedurele waarborgen behoeft.9 Verweerder had dit gezien zijn vergewisplicht moeten onderkennen en alsnog een medisch advies horen en beslissen moeten opvragen. 7.4. Nu het voor de rechtbank vaststaat dat verweerder de psychische problematiek van eiser onvoldoende heeft onderkend met betrekking tot eisers vermogen om te verklaren, is de rechtbank verder van oordeel dat verweerder in zijn besluitvorming onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat, en hoe, rekening is gehouden met het referentiekader en de bovengenoemde psychische toestand van eiser. 7.5. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Reeds 6 Zie de uitspraak van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584, rechtsoverweging 3.2. 7 Werkinstructie. 8 Zie p. 2 en 4 van het rapport van [naam 4] . 9 Uitspraak van 7 juni 2022, rechtsoverweging 4.1. daarom komt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb10 voor vernietiging in aanmerking. 7.6. Uit het oogpunt van proceseconomie zal de rechtbank hierna – voor zover van belang – ook ingaan op de andere beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Verklaring van [naam 1] 8. Eiser voert aan dat de verklaring van [naam 1] onvoldoende is meegewogen in de besluitvorming door verweerder. Eiser wijst erop dat verklaringen van derden, zoals de verklaring van [naam 1] , kenbaar meegewogen moeten worden aangezien deze verklaringen doorslaggevend kunnen zijn. Eiser stelt dat verweerder in de onderhavige zaak echter maar weinig waarde aan deze verklaring heeft toegekend. Eiser meent dat het daarom op de weg van verweerder had gelegen om er bij uitzondering voor te kiezen [naam 1] te horen. Eiser beroept zich verder op een uitspraak van de Afdeling, waaruit volgt dat overgelegde stukken kunnen dienen als ondersteunend bewijs voor verklaringen die de vreemdeling heeft gedaan met betrekking tot zijn homoseksuele gerichtheid en dat verweerder gemotiveerd moet ingaan op deze stukken.11 Volgens eiser heeft verweerder dit onvoldoende gedaan. 8.1. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft de verklaring van [naam 1] voldoende meegewogen in de besluitvorming maar heeft daar niet de waarde aan hoeven hechten die eiser hieraan gehecht wenst te zien. Zo heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet met objectieve bronnen is onderbouwd, zoals een kopie van een identiteitsbewijs van [naam 1] , dat de brief daadwerkelijk van [naam 1] afkomstig is. Hoewel uit de overgelegde chatberichten tussen eiser en [naam 1] blijkt dat [naam 1] zijn gegevens niet wilde delen, maakt dit niet dat de motivering van verweerder op dit punt niet deugt. Ook op zitting heeft eiser geen nadere onderbouwing gegeven over de verklaring van [naam 1] . Eiser heeft daarnaast in beroep alleen aangevoerd dat verweerder meer waarde had moeten hechten aan de verklaring van [naam 1] , zonder inhoudelijk aan te geven waarom dit het geval behoorde te zijn. Verweerder had [naam 1] daarom niet hoeven horen. De beroepsgrond slaagt niet. Chatberichten met de neef en toegedichte homoseksualiteit 9. Eiser voert aan dat het niet geloofwaardig bevonden worden van zijn relatie met [naam 1] niet afdoet aan de omstandigheid dat hij bij terugkeer naar Iran gevaar loopt vanwege de bedreiging van de kant van zijn oom, naar aanleiding van het advies dat hij aan zijn neef via chatberichten heeft gegeven. Het is namelijk alleen al hierdoor bekend dat eiser homoseksueel is. Nu zijn oom bij de Etalat (Iraanse inlichtingendienst) hoort en daarmee zijn homoseksualiteit bij de Iraanse autoriteiten bekend is, is terugkeer naar Iran voor eiser levensgevaarlijk. Volgens eiser valt verder niet in te zien dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt door eiser dat zijn oom banden heeft met de Etalat, nu deze connectie volgens verweerder enkel is gebaseerd op vermoedens en niet verder is onderbouwd met concrete aanwijzingen. Eiser stelt in dit kader dat hier simpelweg geen documenten van zijn om te onderbouwen. Eiser volgt evenmin het standpunt van verweerder dat eiser ongerijmd zou hebben verklaard over het advies dat hij aan zijn neef heeft gegeven. Verweerder heeft dit standpunt gemotiveerd door te overwegen 10 Algemene wet bestuursrecht. 11 Uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754, rechtsoverweging 3.4. dat niet valt in te zien dat eiser aan zijn neef het advies zou geven open te zijn over zijn homoseksuele geaardheid, terwijl eiser op de hoogte is van de situatie voor homoseksuelen in Iran. Eiser wijst erop dat hij zijn neef heeft geadviseerd de waarheid te vertellen aan zijn beoogde huwelijkspartner [naam 3] , maar daarbij heeft gezegd dat zijn neef dan [naam 3] moest verzoeken de werkelijke reden dat het huwelijk niet door kon gaan voor zich te houden. Eiser benadrukt hierbij dat hij niet enkel met zijn neef heeft gechat over dit onderwerp, maar ook telefonisch contact met hem heeft gehad. 9.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overgelegde chatberichten van eiser met zijn neef niet op echtheid kunnen worden gecontroleerd en mede hierdoor de verklaringen van eiser, met betrekking tot de vrees voor zijn oom, onvoldoende zijn onderbouwd. Wat betreft de e-mail naar COC Nederland merkt verweerder op dat hieruit enkel blijkt dat eiser eenmalig eenzijdig contact heeft gezocht met het COC, maar dat dit niet aantoont dat hierdoor daadwerkelijk problemen zijn ontstaan in Iran. 9.2. De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog. Dat de chatberichten niet op echtheid kunnen worden gecontroleerd, betekent niet dat hieraan geen waarde kan worden gehecht. De chatberichten kunnen wel degelijk fungeren als onderbouwing voor eisers verklaringen, temeer nu uit het verslag gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat verweerder zelf aan eiser heeft gevraagd om de chatberichten over te leggen ter onderbouwing van zijn verklaringen.12 Dit geldt trouwens ook voor het overgelegde e-mailbericht. 9.3. Met betrekking tot de inhoud van de overgelegde chatberichten overweegt de rechtbank verder als volgt. De rechtbank merkt op dat uit de chatberichten tussen eiser en zijn neef blijkt dat eisers oom op een gegeven moment zelf berichten begint te sturen naar eiser, waarin hij expliciet aangeeft eiser aan te zullen geven bij de Etalat.13 De rechtbank volgt daarom het standpunt van verweerder niet dat uit de overgelegde chatberichten niet blijkt dat eiser het doelwit van zijn oom is geworden. Het gegeven dat eisers oom dit uitdrukkelijk heeft aangegeven maakt dat niet relevant is of de oom van eiser banden heeft met de Etalat, nu de oom ook zonder deze banden eiser kan aangeven bij de Etalat. De rechtbank is het daarom met eiser eens dat de chatberichten als onderbouwing dienen dat hij vanwege de toegedichte homoseksualiteit gevaar loopt in Iran. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder verder niet dat eiser ongerijmd zou hebben verklaard over het advies dat hij aan zijn neef heeft gegeven. Eiser heeft dit advies niet zomaar gegeven, nu blijkt dat eisers neef zelf met het idee is gekomen om open te zijn over zijn homoseksuele geaardheid tegenover [naam 3] .14 Verweerder heeft daarbij ten onrechte niet onderkend dat eiser als reactie hierop advies heeft gegeven met een nadere instructie, namelijk dat eisers neef [naam 3] moest verzoeken de werkelijke reden dat het huwelijk niet door kon gaan voor zich te houden. 9.4. De beroepsgrond van eiser slaagt. Gelet op wat hiervoor in rechtsoverweging 7.5 is overwogen zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. In de nieuw te nemen beslissing zal verweerder eveneens op dit onderdeel zijn standpunt nader moeten motiveren. 12 Zie p. 5 verslag gehoor opvolgende aanvraag. 13 Zie vanaf p. 12 van de overgelegde chatberichten tussen eiser en zijn neef. 14 Zie p. 8 van de overgelegde chatberichten tussen eiser en zijn neef. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit niet zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van zestien weken, nu vaststaat dat het besluit op meerdere punten niet deugt en nader onderzoek nodig is. 10.1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, is het niet meer nodig om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.625,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- bij een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 15 juli 2024; - draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.625,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Documentcode: DSR43869762 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...