Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:21318

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-12-17
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL22.1042
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
58.313 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Congo – eiser stelt te zijn geboren in Congo, na het overlijden van zijn moeder samen met zijn broer door zijn oom naar Angola te zijn gebracht en nadat zijn oom is gedood, naar Nederland te zijn gebracht en slachtoffer te zijn geworden van mensenhandel. Verweerder acht het relaas ongeloofwaardig omdat uit EU-Vis blijkt dat Portugal aan eiser (en zijn broer) een visum heeft verstrekt en daarbij een andere naam, geboortedatum en nationaliteit hebben geregistreerd. Eiser en zijn broer zijn na aankomst in Nederland langdurig opgenomen bij Fier, expertisecentrum op het gebied van o.a.(seksueel) geweld. Eiser heeft ten volle voldaan aan zijn inspanningsplicht en kan niet méér doen om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Verweerder heeft om invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht eiser gehoord, “de systemen” geraadpleegd en op verzoek van de rechtbank getracht het visumdossier bij de Portugese autoriteiten te verkrijgen. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel mag en ook moet uitgaan van de registratie van persoonsgegevens door de andere lidstaten en ook mag en moet uitgaan dat ook de andere lidstaten zich houden aan de regelgeving met betrekking tot de verlening van visa en visa dus in persoon moeten worden aangevraagd en in persoon moeten worden opgehaald bij de vertegenwoordiging van de visum-verlenende lidstaat. Dit betekent echter niet dat verweerder zich geen rekenschap moet geven van de verklaringen van eiser en zijn broer dat zij slachtoffer zijn geweest van mensenhandel en van algemene informatie dat daders van mensenhandel bereid én in staat zijn om een derde visa en onderliggende documenten te laten aanvragen en vervaardigen en daar in de prakrijk ook in slagen. Verweerder had vóór het nemen van het TKB moeten nagaan of de medische problematiek en de behandeling die eiser op dat moment hiervoor kreeg aan het opleggen van een TKB in de weg stond in plaats van de te wijzen op de mogelijkheid om een 64 Vw-aanvraag te doen. De rechtbank heeft uit eigen beweging medische info bij eiser opgevraagd omdat de rechtbank zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Dat de rechtbank deze ambtshalve verplichting ook heeft als een eerste terugkeerbesluit wordt opgelegd, leidt de rechtbank af uit het arrest Ararat zodat een nieuwe prejudiciële vraag hierover niet nodig is. Beroep gegrond, overschrijding redelijke termijn, pkv.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1042 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Saakjan), en de Minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verweerder, (gemachtigden: mr. M.M.E. Disselkamp en mr. R.A. Mandersloot). Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning afgewezen en ambtshalve bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een andere verblijfstitel of uitstel van vertrek. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit op 23 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en M. Reitsma van Fier en een gemachtigde van verweerder. In de tussenuitspraak van 10 maart 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:1822, niet gepubliceerd) heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om bij de Congolese ambassade te verzoeken om afgifte van een paspoort, dan wel een andere nationaliteitsbevestiging te verkrijgen. De rechtbank heeft partijen op 20 november 2024 verzocht om de rechtbank uiterlijk op 11 december 2024 te informeren over mogelijke ontwikkelingen in de procedure en hun standpunt over de rechtmatigheid van het besluit. Verweerder heeft de rechtbank op 5 december 2024 geïnformeerd zijn standpunt te handhaven, zoals verwoord in het bestreden besluit van 17 januari 2022, het verweerschrift van 21 februari 2023 en zoals ingenomen ter zitting op 23 februari 2023. De rechtbank heeft op 8 december 2024 een bericht in het dossier geplaatst voor gemachtigde van eiser met de navolgende inhoud : (…) De rechtbank verzoekt gemachtigde van eiser om actuele informatie over de gezondheidstoestand van eiser en behandeling die hij mogelijk thans ondergaat aan het dossier toe te voegen. Indien eiser onder behandeling staat van Fier, wenst de rechtbank, schriftelijk of ter zitting, te worden geïnformeerd wat de gevolgen voor eiser zouden zijn indien de behandeling die thans wordt geboden niet wordt voortgezet. Indien sprake is van andere of meer behandelingen wenst de rechtbank op vergelijkbare wijze hierover te worden geïnformeerd. (…) Eiser heeft op 9 december 2024 zijn patiëntendossier overgelegd over de periode van 1 januari 2019 tot en met 24 oktober 2024 en heeft hierbij aangegeven het beroep te handhaven. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voorgezet op 12 december 2024. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn broer en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser heeft op 16 oktober 2019 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft Portugal verantwoordelijk geacht voor de behandeling van deze asielaanvraag en het daarom genomen overdrachtsbesluit staat in rechte vast. Verweerder heeft eiser niet tijdig aan Portugal overgedragen en heeft aan eiser medegedeeld dat hij de asielaanvraag inhoudelijk zal behandelen. 2. Verweerder heeft eiser opgedragen om een nieuwe asielaanvraag in te dienen en eiser heeft daarom op 3 februari 2021 de onderhavige asielaanvraag ingediend. De rechtbank overweegt dat het opdragen om een nieuwe asielaanvraag in te dienen omdat de overdrachtstermijn is verstreken zonder dat de overdracht is geëffectueerd, onverenigbaar is met de Dublinverordening. Verweerder dient dus uit te gaan van 16 oktober 2019 als datum van het indienen van “de” asielaanvraag. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:5570) en de bevestiging van deze uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1248). 3. Eiser heeft op 25 februari 2020 aangifte gedaan van mensenhandel. Verweerder heeft de kennisgeving hiervan (ambtshalve) aangemerkt als een aanvraag tot een verblijfsvergunning met als doel humanitair tijdelijk. Nadat het openbaar ministerie verweerder heeft geïnformeerd dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk is voor de opsporing en vervolging van mensenhandel, heeft verweerder de aanvraag op 5 maart 2020 afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden. Bij besluit van 23 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. 4. Eiser heeft -vanaf het eerste gehoor tijdens de intake op 16 oktober 2019 tot en met de voortgezette behandeling ter zitting op 12 december 2024 consistent- verklaard [naam] te heten, te zijn geboren op [geboortedatum] 2004 en de Congolese nationaliteit te hebben. Eiser heeft verder verklaard dat hij en zijn broer in Congo zijn geboren. In de medische stukken is vermeld dat eiser heeft verklaard slachtoffer te zijn geweest van ernstig seksueel misbruik door hun vader en meermalen door hem te zijn verkracht. Na het overlijden van hun moeder heeft een oom eiser en zijn broer opgehaald om bij hem in Angola te gaan wonen. Eiser heeft over zijn asielmotief het navolgende verklaard: (…) Na de dood van mijn moeder is onze oom naar Congo gekomen om ons op te halen. We gingen met hem naar Angola. Alles ging goed. Maar op een gegeven moment hebben we gemerkt dat er veel mensen bij hem thuis kwamen. De politie van Angola kwam regelmatig bij ons. Ze vroegen ons, waar is jullie oom. Dat was voor ons heel opvallend. Waarom kwam de politie steeds op zoek naar onze oom. Ik had geen duidelijk antwoord daarop. Op een nacht hoorden we iemand op de deur kloppen. Onze oom deed de deur open. Plotseling kwam er politie binnen. Die begonnen vragen te stellen aan onze oom. Op een gegeven moment begonnen ze hem te slaan. Mijn broer ging aan de kant van mijn oom staan. Daardoor kreeg hij ook een klap. Ze raakten zijn hoofd. Ik heb me verstopt. Maar vanaf daar heb ik alles goed kunnen zien, hoe onze oom met messen werd gestoken. Op een gegeven moment hebben de politieagenten mijn oom en mijn broer meegenomen. In de ochtend hoor je de hanen kraaien. Dan weet ik dat het ochtend is. Ik hoorde het geluid van de hanen. Ik ging naar vrienden van onze oom. Ik heb uitgelegd wat er was gebeurd die nacht. Op een gegeven moment zagen we dat mijn broer terug kwam bij het huis van onze oom. Hij heeft uitgelegd hoe de nacht is gegaan. In dezelfde ochtend hoorden we dat onze oom werd gebeld, op zijn telefoon. Op een gegeven moment hebben we op straat het lichaam van onze oom gevonden. Er stonden mensen omheen. We voelden ons niet meer veilig. De vriend van mijn oom zei hij dat we het land moesten verlaten. Hij heeft ons geholpen. Een vriend van hem, [naam] heeft gezorgd dat we naar het centrum van de stad konden waar onze vingerafdrukken en foto’s werden genomen. Toen konden we terug naar het huis van onze oom. Een paar dagen later kwam [naam] ons halen en vlogen we met het vliegtuig hierheen. (…) Ik stelde eigenlijk een andere vraag, maar volgens mij heeft u zojuist verteld over de reden van uw vertrek uit uw land van herkomst. Klopt dat? Ja. En toen we hier kwamen was er een oude man die ons begon te verkrachten. Ik heb dit al gelezen in uw dossier. U hoeft hier nu niet nog een keer over te verklaren. Is goed, want dat doet zo zeer om over te praten. Dat kan ik me voorstellen. Daarom zullen we het hier niet nog een keer over gaan hebben. Niet alleen de verkrachting maar ook de dood van mijn moeder en van mijn oom in mijn bijzijn, dat is allemaal moeilijk om over te praten. (…) Zijn er behalve de door u genoemde redenen nog andere redenen voor uw vertrek? Toen mijn oom was vermoord, heeft een vriend gezegd dat we het land moesten verlaten. Hij kon ook niet in Angola blijven. Hij zou ook het land verlaten. Met hulp van [naam] hebben we het land verlaten. Toen ik hier kwam zijn we beland in handen van de verkrachter. Toen konden we ontsnappen en toen werd ons gevraagd, weten jullie in welk land jullie zijn. We wisten het niet eens. Ze hebben ons verteld dat we in Nederland zijn. Ik kan niet teruggaan. Als ik daar naartoe ga word ik vermoord door die soldaten, ze kennen geen genade. De agenten die mijn oom hebben vermoord. (…) 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: - de identiteit, nationaliteit en herkomst; - de problemen van de oom met de politie. Verweerder volgt eiser niet in de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst en ook niet in de gestelde problemen van de oom met de politie. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond. 6. De beroepsgronden van eiser zien onder meer op het niet geloofwaardig achten van de identiteit, nationaliteit en herkomst en het niet mogen terugsturen van eiser omdat er in Congo geen adequate opvangvoorzieningen voor minderjarigen zijn en omdat hij slachtoffer is geweest van seksueel geweld. Eiser heeft ook beroepsgronden gericht tegen het ongeloofwaardig achten van de problemen van zijn oom met de politie. 7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en overweegt daartoe als volgt. 8. Eiser moet in beginsel zijn identiteit en nationaliteit nader onderbouwen omdat verweerder eiser heeft geregistreerd als [eiser], geboren op [geboortedatum] 1994, met de Angolese nationaliteit. Verweerder heeft zijn registratie gebaseerd op de gegevens die in EU-Vis zijn geregistreerd en die betrekking hebben op de visumverlening door Portugal. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dat hij in beginsel gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van de registratie van de persoonsgegevens van eiser door Portugal mag uitgaan. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het aan eiser is om deze registratie te weerleggen en dat eiser hierin niet is geslaagd. 9. De rechtbank overweegt dat eiser -inmiddels- ten volle invulling heeft gegeven aan zijn inspanningsplicht zoals deze volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Uit diezelfde bepaling volgt ook dat verweerder een samenwerkingsplicht heeft en samen met eiser de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming moet beoordelen. 10. Artikel 4, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn, bepaalt dat de in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient. 11. Eiser heeft geen identificerende documenten en heeft daarover het navolgende verklaard: (…) U heeft verklaard dat u bent geboren in Kinshasa, Congo. Heeft u ooit een geboorteakte gehad? Ik weet niet eens wat het is. Ik heb het nooit gezien. Onze moeder heeft nooit deze documenten voor ons laten maken of verkregen. Weet u of uw moeder ooit een geboorteakte heeft gehad? Nee, ik weet het niet. (…) Uw oom kwam u ophalen uit Congo vertelde u na het overlijden van uw moeder. Was uw oom al in Congo of kwam hij speciaal uit Angola? Naar aanleiding van de dood van mijn moeder is mijn oom naar Congo gekomen. Na de begrafenis zijn we samen vertrokken. Wanneer bent u toen naar Angola gegaan met uw oom? Onze moeder is overleden in 2016. Het was eind 2016. Dus vlak na haar begrafenis, als ik het goed begrijp? Ja. Woonde uw oom al lang in Angola? Ja, toen onze moeder nog leefde zei ze altijd dat ze een broertje in Angola heeft. Is uw moeder geboren in Congo? Ja. En uw oom, waar is hij geboren? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat hij in Angola woont. Maar waar hij is geboren weet ik niet. Dat heeft mijn moeder nooit verteld. Had uw moeder contact met hem? Ja. Was u ooit eerder in Angola geweest? Nee, nooit. U bent dus vanaf eind 2016 tot uw vertrek in 2019 in Angola verbleven, klopt dat? Ja. Weet u wanneer u bent vertrokken uit Angola? Nee, ik weet alleen het jaar. Want ik ben getraumatiseerd door de gebeurtenissen. Klopt het dat u met een vals paspoort het land bent uitgereisd? Alles wat ik weet is dat [naam] ons heeft gebracht naar de stad. Daar zijn foto’s en vingerafdrukken afgenomen. Toen hebben we het land verlaten. We kwamen hier. Toen zijn we verkracht. Toen konden we ontsnappen. Toen gingen we naar Ter Apel. En toen kreeg ik te horen over de naam. Verder weet ik het niet. Is [naam] met u meegereisd naar Nederland? Ja, we zijn samen gevlogen. De bedoeling was dat de vriend van mijn oom ook zou komen. [naam] zei dat hij niet zo lang kon wachten. Hij heeft ons achtergelaten bij die man die ons heeft verkracht. Waar is de vriend van uw oom nu? Weet ik niet. Waar is [naam] naartoe gegaan? We weten het niet. Hij heeft ons achtergelaten bij die man in Nederland. De buurman heeft ons gered. Hij zei, jullie zijn niet veilig, ik ga jullie helpen vluchten. Op dat moment gingen we naar Ter Apel. (…) 12. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaringen blijkt dat eiser niet méér of andere gegevens kan verstrekken en dat eiser geen documenten heeft en waarom dat zo is. Verweerder beschikt, anders dan de rechtbank en de gemachtigde van eiser, over de verklaringen die de broer van eiser heeft afgelegd over het ontbreken van documenten, de redenen hiervoor, de redenen om naar Angola te gaan en de reden om naar Nederland te komen, de wijze waarop dat vertrek is georganiseerd en de wijze waarop zij beiden slachtoffer zijn geworden van mensenhandel. Verweerder kan dus nagaan of de verklaringen van de broer steunbewijs opleveren voor de verklaringen van eiser, maar heeft dat niet gedaan. Verweerder is doorgaans niet bevoegd om verklaringen van de ene vreemdeling “te gebruiken” in de besluitvorming van een andere vreemdeling. In de onderhavige procedure kunnen de verklaringen van de broers echter over en weer steunbewijs opleveren voor hun verklaringen. Indien verweerder eiser en zijn broer om toestemming zou hebben gevraagd, is het buitengewoon aannemelijk dat deze toestemming zou zijn verleend. Gelet op het relaas van eiser zijn er immers weinig andere bewijsmiddelen voorhanden. 13. De rechtbank wijst er voorts op dat verweerder de verklaringen van eiser onvoldoende vindt om de EU-Vis-registratie te weerleggen. Verweerder heeft echter deze verklaringen van eiser niet geplaatst tegen de achtergrond van de landeninformatie, welk verplichting volgt uit artikel 10, derde lid en onder b, van de Procedurerichtlijn en heeft, anders dan in artikel 4, derde lid onder c, van de Kwalificatierichtlijn is bepaald, ook geen rekening gehouden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser. 14. Eiser en zijn broer zijn beiden na hun aankomst meerdere jaren opgenomen en behandeld bij Fier, Expertisecentrum geweld in afhankelijkheidsrelaties, in verband met de psychische gevolgen die zij ondervinden van het ernstige seksuele geweld waarvan zij slachtoffer zijn geworden. In het Medifirst-advies van 11 januari 2022 is vermeld dat betrokkene is opgenomen bij Fier in Leeuwarden en dat niet met zijn begeleider is afgesproken of eiser kan worden gehoord en eiser wel is gehoord mede door de verwachte langdurige opname. Ook de broer van eiser is langdurig opgenomen geweest en behandeld door Fier. De rechtbank overweegt dat de beslissing van het openbaar ministerie om geen strafvervolging in te stellen, geenszins betekent dat de verklaringen van eiser en zijn broer over de mensenhandel niet conform de waarheid zijn afgelegd. Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de omstandigheid dat het langdurig opgenomen zijn en onder behandeling staan bij Fier van beide broers een zeer sterke indicatie is dat zij beiden slachtoffer zijn geweest van mensenhandel. 15. Verweerder had de verklaringen die eiser en zijn broer hebben afgelegd over het laten afnemen van vingerafdrukken in Angola, de wijze waarop zij naar Nederland zijn gereisd zonder eerst in Portugal te zijn geweest, en het niet méér kunnen verklaren over het visum dat hun inreis mogelijk heeft gemaakt, tegen de achtergrond van het mensenhandel-relaas dienen te beoordelen. Verweerder beschikt over genoeg kennis van mensenhandel en beschikt over meerdere dossiers waarin slachtoffers van mensenhandel verklaringen hebben afgelegd en verweerder wéét dus hoe individuele mensenhandelaren en criminele netwerken van mensenhandelaren zorgdragen voor visa voor -vaak jonge en kwetsbare – slachtoffers. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel mag en ook moet uitgaan van de registratie van persoonsgegevens door de andere lidstaten en ook mag en moet uitgaan dat ook de andere lidstaten zich houden aan de regelgeving met betrekking tot de verlening van visa en visa dus in persoon moeten worden aangevraagd en in persoon moeten worden opgehaald bij de vertegenwoordiging van de visum-verlenende lidstaat. Dit betekent echter niet dat verweerder zich geen rekenschap moet geven van de verklaringen van eiser en zijn broer dat zij slachtoffer zijn geweest van mensenhandel en van algemene informatie dat daders van mensenhandel bereid én in staat zijn om een derde visa en onderliggende documenten te laten aanvragen en vervaardigen en daar in de praktijk ook in slagen. De lidstaten hebben een juridische en morele verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor slachtoffers van mensenhandel. Dit betekent ook, naar het oordeel van de rechtbank, dat verweerder zijn ogen niet moet sluiten voor de psychische problematiek van eiser en zijn broer en de langdurige opname en behandeling voor deze problemen die, naar zij zeggen, verband houden met mensenhandel. Verweerder dient zich hiervan rekenschap te geven bij de beoordeling van de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in plaats van onverkort en zonder meer vast te houden aan de EU-Vis- registratie en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder had in de onderhavige procedure dus niet kunnen volstaan met “uitgaan van de EU-Vis-registratie en dit blijven doen tenzij…” maar had moeten beoordelen of de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit en de visumverkrijging geloofwaardig kunnen worden geacht. Verweerder dient maatwerk te leveren, ook als het gaat om het beoordelen van de geloofwaardigheid van verklaringen over identiteit, nationaliteit en herkomst en zal ook bij het uitgaan van visumverlening door andere lidstaten zelf kritisch moeten nagaan of er getwijfeld moet worden aan de persoonsgegevens zoals die door de andere lidstaat zijn geregistreerd. In dat geval dient te worden berust in de omstandigheid dat de andere lidstaat niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen en dient de vreemdeling te worden gevolgd in zijn afgelegde verklaringen. 16. Bij het indienen van de asielaanvraag en bij het gehoor over de asielmotieven heeft eiser alleen zijn verklaringen, waaronder verklaringen over zijn leeftijd, over het niet kunnen lezen en schrijven en het slechts zeer beperkt deelnemen aan de samenleving, als bewijsmiddel van zijn relaas aangevoerd. Verweerder beschikte ten tijde van het besluit over deze verklaringen, de EU-Vis-registratie, de wetenschap dat eiser was opgenomen bij Fier, de medische gegevens die toen reeds waren overgelegd, de verklaringen van de broer van eiser, wetenschap over de werkwijze van (criminele netwerken van) mensenhandelaren en landeninformatie over Congo en het gebruikelijk zijn of minderjarigen beschikken over identiteitsdocumenten. Gedurende de procedure heeft eiser, om te voldoen aan zijn inspanningsverplichting, meerdere documenten weten te verkrijgen. Het betreft de navolgende documenten. Eiser heeft voorafgaand aan de behandeling ter zitting op 23 februari 2023 een vonnis van de kinderrechter van Kinshasa van 17 februari 2022 (inclusief vertaling) overgelegd, ter vervanging van de geboorteakte dat eiser [naam], geboren op [geboortedatum] 2004, van Congolese nationaliteit is en een afschrift van de geboorteakte van [naam]. Eiser heeft gebruik gemaakt van de in de tussenuitspraak geboden mogelijkheid om zich met deze documenten tot de Congolese ambassade te wenden om een paspoort of andere nationaliteitsbevestiging te vragen. De Congolese autoriteiten hebben onder verwijzing naar Congolese wetgeving medegedeeld geen identiteitsdocument of nationaliteitsbevestiging te zullen verstrekken. Eiser heeft ook, omdat verweerder de verklaringen van eiser en zijn broer over hun biologische band niet aannemelijk achtte, een DNA-onderzoek laten verrichten. Eiser heeft de resultaten van dit onderzoek overgelegd en uit de toelichting bij de uitslag DNA-test blijkt dat wordt geconcludeerd dat de waarschijnlijkheid dat tussen eiser en zijn broer sprake is van een volle broer – broer familierelatie 99,999% is. 17. De rechtbank stelt vast, zoals ook besproken ter zitting, dat eiser ten volle heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht en ten aanzien van het verder aannemelijk maken van zijn verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst sprake is van bewijsnood. 18. Verweerder heeft nadat duidelijk is geworden dat de Congolese autoriteiten geen paspoort aan eiser zullen verstrekken, zich op het standpunt gesteld dat het besluit wordt gehandhaafd en eiser “nog immer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een geheel andere identiteit, nationaliteit en geboortedatum zou hebben dan bij verweerder bekend is geworden uit de EU-Vis check, waar verweerder vanuit mocht gaan”. De rechtbank overweegt dat niet alleen sprake is van bewijsnood aan de zijde van eiser, maar ook dat de Congolese autoriteiten niet hebben medegedeeld dat eiser niet de Congolese nationaliteit heeft. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het kader van zijn samenwerkingsplicht aanvankelijk alleen eiser heeft gehoord en “de systemen” heeft geraadpleegd. Ter zitting van 12 december 2024 heeft verweerder medegedeeld dat hij naar aanleiding van de ter zitting van 23 februari 2023 gemaakt afspraken tweemaal contact heeft gezocht met de Portugese autoriteiten om een afschrift van het visumdossier te verkrijgen maar dat deze autoriteiten niet hebben gereageerd. Verweerder heeft zich ter zitting, op vragen van de rechtbank, verder op het standpunt gesteld dat hij voldoende inspanningen heeft geleverd om aan de samenwerkingsplicht te voldoen. Verweerder heeft, ook op vragen van de rechtbank, aangegeven een taalanalyse niet zinnig te vinden omdat het spreken van een taal geen “bewijs” voor een gestelde nationaliteit kan zijn. De rechtbank overweegt dat verweerder kan worden gevolgd dat het enkele spreken van een taal niet meteen betekent dat de gestelde nationaliteit duidelijk is. Verweerder dient evenwel alle door eiser aangedragen relevante elementen en bewijsmiddelen in onderlinge samenhang te beoordelen en bovendien invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht en zorgvuldig en grondig te onderzoeken of eiser bescherming behoeft. Eiser is door verweerder steeds in de Lingala-taal gehoord. Deze taal wordt zowel in Congo als in Angola gesproken. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat er geen zogenoemde “taalindicatie” is verricht. Verweerder heeft zich dus op grond van de gehoren geen oordeel gevormd of de door eiser gesproken taal steunbewijs kan opleveren voor zijn verklaringen over zijn nationaliteit en herkomst. Ter zitting is besproken dat dit wel nog een mogelijkheid is die verweerder heeft om invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht en dat de lange verblijfsduur van eiser in Nederland een dergelijk onderzoek niet onmogelijk maakt. Verweerder heeft ter zitting niet aangeboden om de inmiddels door eiser verkregen documenten door Bureau Documenten te laten onderzoeken, terwijl dergelijke onderzoeksbevindingen ook steunbewijs kunnen opleveren voor de verklaringen van eiser. Verweerder heeft ook niet nader gemotiveerd waarom hij de door eiser afgelegde verklaringen en de inspanningen die eiser heeft geleverd en de resultaten hiervan onvoldoende vindt om inmiddels af te zien van het vasthouden aan het uitgangspunt dat Portugal gehouden is aan de visa-regels en hij er van uitgaat dat Portugal dat ook heeft gedaan en daarom de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit niet juist zijn. 19. De rechtbank concludeert dat verweerder nader had moeten motiveren waarom hij, gelet op het door eiser inmiddels aangedragen steunbewijs en gelet op het niet verder invulling geven aan zijn samenwerkingsplicht, onverkort blijft vasthouden aan de EU-Vis-registratie. De afwijzing van de asielaanvraag omdat het relaas integraal ongeloofwaardig is geacht, kan geen stand houden gelet op alle inmiddels aangedragen bewijsmiddelen die betrekking hebben op de identiteit en nationaliteit van eiser. Verweerder zal nader moeten ingaan op de originele stukken die eiser heeft en verweerder zal nader moeten motiveren waarom een taalanalyse en/of documentenonderzoek niet kan bijdragen aan het geloofwaardig achten van de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank zal het besluit dus vernietigen en verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen en daarbij alle inmiddels aangedragen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang moeten beoordelen en opnieuw moeten motiveren, met inachtneming van deze uitspraak, of onverkort wordt uitgegaan van de EU-Vis-registratie of dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst inmiddels aannemelijk zijn geworden. 20. Eiser heeft ook beroepsgronden aangevoerd die zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede relevante element “de problemen van de oom met de politie”. De rechtbank overweegt dat het niet opportuun is om deze gronden te bespreken, nu verweerder ten onrechte zonder nader invulling te geven aan zijn samenwerkingsverplichting en zonder genoegzaam gemotiveerd te hebben waarom eiser inmiddels zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Een asielrelaas heeft immers betekenis mede tegen de achtergrond van het land waarnaar teruggekeerd zal moeten worden indien er geen verblijfsvergunning wordt verleend. Verweerder heeft weliswaar Angola als land van bestemming geduid, maar zal dus in zijn nieuw te nemen besluit opnieuw moeten motiveren of Congo of Angola als land van herkomst en land waarvan eiser de nationaliteit heeft, wordt beschouwd. Indien verweerder in zijn nieuw te nemen besluit niet langer uitgaat van de persoonsgegevens die in EU-Vis zijn geregistreerd als behorende bij de vingerafdrukken van eiser omdat verweerder uitgaat van de verklaringen die eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft afgelegd, valt vooralsnog niet in te zien dat het asielrelaas, indien dit geloofwaardig wordt geacht, in de weg staat aan terugkeer naar Congo. Eiser zal dan nader moeten toelichten dat de dood van zijn oom betekent dat ook eiser moet vrezen voor de Angolese politie en als dat zo is, waarom dit dan aan terugkeer naar Congo in de weg staat. 21. De rechtbank overweegt verder dat een besluit waarbij een asielaanvraag wordt afgewezen een zogenoemde meeromvattende beschikking behelst en ook een terugkeerbesluit omvat. Indien verweerder in zijn nieuw te nemen besluit uitgaat van de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, maar tot de conclusie komt dat eiser geen internationale bescherming behoeft, zal verweerder moeten beoordelen of ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag in Congo opvangvoorzieningen waren die voor eiser adequaat, beschikbaar en toegankelijk waren. Indien niet langer houdbaar is dat verweerder van de EU-Vis-registratie mag uitgaan en verweerder daarom uitgaat van de door eiser gestelde geboortedatum 16 oktober 2019, heeft te gelden dat eiser ten tijde van zijn aanvraag een niet begeleide minderjarige vreemdeling was. Verweerder heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de gestelde biologische band tussen eiser en zijn broer, die ook gedurende meerdere jaren na gelijktijdige inreis in Nederland is opgenomen en behandeld bij Fier, niet was onderbouwd. Pas nadat eiser en zijn broer zelf een DNA-onderzoek hebben laten verrichten en uit de resultaten van dit onderzoek onmiskenbaar volgt dat sprake is van een biologische relatie en zij broers zijn, heeft verweerder zijn eenvoudige en niet onderbouwde betwisting van deze verklaring prijsgegeven. Verweerder heeft ten tijde van de aanvraag niet beoordeeld of in Congo adequate opvang wordt geboden aan niet-begeleide minderjarigen. Ten tijde van het onderzoek ter zitting is het beroep dat de broer tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag aanhangig heeft gemaakt nog aanhangig bij deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. De rechtbank kan niet vooruitlopen op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en weet dus niet of de afwijzing van de asielaanvraag van de broer van eiser in rechte stand houdt. Indien verweerder in zijn nieuw te nemen besluit uitgaat van de door eiser afgelegde verklaringen over zijn leeftijd, zal verweerder ook moeten nagaan of eiser ten tijde van zijn asielaanvraag als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling had moeten worden beschouwd. Ook als eiser gedurende de procedure meerderjarig zou zijn geworden, moet verweerder nagaan of eiser bij de afwijzing van zijn asielaanvraag in aanmerking had moeten worden gebracht voor een reguliere verblijfsvergunning als niet-begeleide minderjarige vreemdeling als er geen sprake was van adequate opvang. In dat geval zal verweerder ook moeten nagaan of eiser in aanmerking moet worden gebracht voor voortgezet verblijf na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. De rechtbank wijst verweerder er op dat thans in het landenbeleid is opgenomen dat er adequate opvang beschikbaar is in Congo. Eiser heeft echter op 17 februari 2024 een kopie van het Besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 31 januari 2022, nummer WBV 2022/4, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire (Staatscourant 2022 nr. 4222, 14 februari 2022) overgelegd waarin onder meer onder 10.6 is opgenomen dat voor Congo in zijn algemeenheid geldt dat algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn en de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. Ook is vermeld dat “ondanks voornoemd uitgangspunt in een voorkomend geval – na onderzoek – kan worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.”. De rechtbank overweegt dat er altijd onderzoek zal moeten worden gedaan, ook als in zijn algemeenheid opvangvoorzieningen wel beschikbaar en toereikend zijn en de autoriteiten wel zorg dragen voor de opvang. Het Hof heeft immers in haar arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ (arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9) onder meer overwogen dat uit artikel 5, onder a), van de Terugkeerrichtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest voortvloeit dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, concreet moet onderzoeken of er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer en dat indien die opvang niet aanwezig is, tegen die minderjarige geen terugkeerbesluit krachtens artikel 6, lid 1, van die richtlijn kan worden uitgevaardigd (punten 54-56). 22. De rechtbank overweegt verder dat in het voornemen van 13 januari 2022 is overwogen dat eiser heeft verklaard onder behandeling van zorginstelling Fier te staan en dat uit zijn patiëntendossier blijkt dat dit in ieder geval tot 15 januari 2020 zo was. Indien eiser in de zienswijze medische stukken zou overleggen waaruit blijkt dat hij nog steeds onder behandeling staat dan bestaat het voornemen “om betrokkene wanneer zijn asielverzoek wordt afgewezen voorlopig uitstel van vertrek te verlenen in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 Vw.” In het besluit is enkel overwogen dat eiser geen zienswijze over artikel 64 Vw heeft ingediend, en er daarom geen aanleiding bestaat om anders te oordelen dan in het voornemen is verwoord. De rechtbank overweegt dat verweerder in de meeromvattende beschikking op de asielaanvraag ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de medische situatie op dat moment niet in de weg stond aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Anders dan verweerder heeft overwogen voldoet verweerder niet aan zijn verplichtingen die volgen uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en zoals die door het Hof zijn gepreciseerd door in zijn voornemen te wijzen op de mogelijkheid om uitstel van vertrek te verkrijgen en in zijn besluit te overwegen dat er geen zienswijze op dit punt is uitgebracht en hij dus bevoegd is om een terugkeerbesluit op te leggen. 23. Het Hof heeft in haar arrest van 22 november 2022 in antwoord op vragen van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in de zogenoemde Medicinale Cannabis-zaak (arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913) nader geduid welke verplichtingen de lidstaten in dit kader hebben. Het Medicinale Cannabis-arrest is gewezen na het bestreden besluit. Het Hof legt echter reeds bestaand Unierecht uit en verweerder was dus ook gehouden om na te gaan of hij een terugkeerbesluit moest en mocht nemen. Ook na het arrest heeft verweerder zich hiervan geen rekenschap gegeven. Tijdens de eerste behandeling van het beroep op 23 februari 2023 is door verweerder wederom gewezen op de mogelijkheid om uitstel van vertrek te vragen. Het moeten vragen van uitstel van vertrek impliceert echter dat er een vertrekverplichting op eiser rust en dat er dus een terugkeerbesluit wordt opgelegd en, indien nodig vanwege medische uitzettingsbeletselen, de rechtsgevolgen kunnen worden geschorst door de vertrekverplichting te schorsen. Hoewel het voor de rechtbank onduidelijk is hoe het arrest A.A. (arrest van het Hof van 6 juli 2023 in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A., C-663/21, ECLI:EU:C:2023:540) moet worden begrepen gelet op de systematiek van de Terugkeerrichtlijn, de systematiek van de uitsluitingsgronden zoals opgenomen in de Kwalificatierichtlijn en de jurisprudentie van het Hof en met name de arresten Westerwaldkreis (arrest van het Hof van 3 juni 2021 in de zaak BZ tegen Westerwaldkreis, C-546/19, ECLI:EU:C:2021:432) en Ararat (arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892), is het verlenen van uitstel van vertrek alvorens een terugkeerbesluit wordt opgelegd en het opleggen van een terugkeerbesluit zonder eerst na te gaan of sprake is van medische omstandigheden die in de weg staan aan het opleggen van een terugkeerbesluit, onverenigbaar met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en de uitleg die het Hof in dit kader heeft gegeven indien sprake is van medische uitzettingsbeletselen. Verweerder had dus -kenbaar- dienen na te gaan of hij bevoegd was om een terugkeerbesluit jegens eiser uit te vaardigen, in plaats van te volstaan met de overweging dat indien eiser actuele medische stukken zou overleggen, zou worden bezien of er uitstel van de vertrekverplichting zou worden verleend. 24. De rechtbank heeft voorts voorafgaand aan de behandeling ter zitting aan gemachtigde van eiser verzocht om actuele medische informatie aan het dossier toe te voegen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven het opmerkelijk te vinden dat de rechtbank dit doet. Het Hof heeft echter in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 op vragen van deze rechtbank en zittingsplaats onder meer het navolgende voor recht verklaard: (…) 2) Artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het een nationale rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van een handeling waarbij de bevoegde nationale autoriteit een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarin het nationale recht voorziet heeft afgewezen en daarmee de opschorting van de uitvoering van een eerder in het kader van een internationale beschermingsprocedure genomen terugkeerbesluit heeft beëindigd, verplicht om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak. (…) 25. In punten 53-55 van het bovengenoemde arrest Ararat heeft het Hof het navolgende overwogen: (…) 53 53 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het aan de administratieve autoriteit die in het kader van een procedure die niet met een verzoek om internationale bescherming is ingeleid, een aanvraag voor een door het nationale recht geregelde verblijfsvergunning afwijst en bijgevolg vaststelt dat de derdelander die deze aanvraag heeft ingediend illegaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft, de verplichting oplegt om geen terugkeerbesluit jegens die derdelander uit te vaardigen zonder eerst te hebben beoordeeld of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. 54 Zoals de verwijzende rechter uitdrukkelijk erkent, heeft deze vraag „betrekking [...] op de situatie dat niet eerder een terugkeerbesluit is genomen”. Aangezien in het hoofdgeding ten aanzien van verzoekers in het hoofdgeding het besluit van 9 augustus 2012 is vastgesteld, is die vraag hypothetisch en wordt het Hof daarmee verzocht een advies te formuleren, hetgeen in strijd is met zijn taak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde rechterlijke samenwerking (zie in die zin arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 18, en 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C‑160/20, EU:C:2022:101, punt 84). 55 Bijgevolg is de tweede vraag niet-ontvankelijk. (…) 26. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige procedure, anders dan in de procedure waarin het arrest Ararat is gewezen, wel aan de orde is dat niet eerder een terugkeerbesluit is genomen. De rechtbank zal zich in deze procedure echter niet tot het Hof wenden om de vraag voor te leggen of een nationale rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van het opleggen van een terugkeerbesluit te onderzoeken (óók) gehouden is om ambtshalve op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de mogelijke uitvoering van dit besluit. De rechtbank kan het antwoord op deze vraag namelijk afleiden uit de nadere precisering die Hof heeft gegeven in de situatie dat eerder een terugkeerbesluit is opgelegd en de opschorting van de uitvoering van een eerder in het kader van een internationale beschermingsprocedure genomen terugkeerbesluit wordt beëindigd. De rechtbank is dus verplicht om te allen tijde het refoulementverbod te eerbiedigen indien de rechtbank de rechtmatigheid van de oplegging of de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit controleert. Dit betekent dat de

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...