Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2022:3847

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2022-04-19
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
Turkije
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 21/5149
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Turkije
Thema
COI-verwijzing
nee
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
nee
Tekstlengte
4.666 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Intrekking verblijfsvergunning regulier. Verplaatsing hoofdverblijf. Horen in bezwaar. Beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 21/5149 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. C.N. Noordzee), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 3 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Overwegingen 1. Eiser is geboren op [Geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. 2. Op 7 september 2018 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘verblijf als echtgenoot bij [Naam 2]’, geldig tot 7 september 2023. 3. Bij besluit van 18 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder deze vergunning ingetrokken op grond van artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. 4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaar is ongegrond verklaard. 5. In paragraaf B1/6.2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 staat beschreven wanneer sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf. Hieruit volgt dat aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard wordt beoordeeld of het hoofdverblijf is verplaatst. In ieder geval wordt verplaatsing van het hoofdverblijf aangenomen indien de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. De rechtbank oordeelt als volgt. 6. Eiser stelt niet meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland te hebben verbleven. Hij stelt voor studie in het buitenland te hebben verbleven maar zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben gehouden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eiser ligt om aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij voor studie in het buitenland is geweest en zijn hoofdverblijf desalniettemin in Nederland heeft gehouden, terwijl hier door verweerder wel nadrukkelijk naar is gevraagd. Verweerder is dan ook op juiste gronden tot de conclusie gekomen dat eiser meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven en aldus zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De beroepsgrond slaagt niet. 7. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder hem in strijd met artikel 7:2 van de Awb niet heeft gehoord over zijn bezwaar. Van het horen in de bezwaarschriftenprocedure mag een bestuursorgaan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afzien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan. Niet gebleken is dat eiser nieuwe stukken kan overleggen om zijn situatie te onderbouwen. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:11191). Deze uitspraak kan eiser echter niet baten omdat in deze zaak sprake was van een wijziging van juridische grondslag. Dat is in deze casus niet het geval. De beroepsgrond slaagt niet. 8. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep kennelijk ongegrond dient te worden verklaard. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. K. Verschueren, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 19 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...