Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2022:15137

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2022-11-07
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL22.22482
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
4.862 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

spoedpiket Vw - Dublin-overdracht Oostenrijk - tijdige reactie claimakkoord - herhaalde asielaanvraag - art. 3.1 Vb - meerderjarigheid aannemelijk - spoedvovo afgewezen.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL22.22482 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 4 november 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken). Procesverloop Bij besluit van 2 november 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen en in het kader van de Dublinverordening een overdrachtsbesluit naar Oostenrijk aan verzoeker uitgereikt. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 15 juli 2022 is het beroep tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 3 november 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) geoordeeld dat naar aanleiding van het gehoor herhaalde asielaanvraag geen nieuwe relevante elementen of bevindingen zijn gebleken. Ook zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan feitelijke overdracht van verzoeker aan Oostenrijk in de weg staan. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is meteen mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Verzoeker stelt de Syrische nationaliteit te hebben en heeft een asielprocedure lopen in Oostenrijk. Verzoeker wenst zijn asielprocedure in Nederland voort te zetten en wil niet terugkeren naar Oostenrijk. 3. Verzoeker voert aan dat zijn bezwaar redelijke kans van slagen heeft, omdat Oostenrijk niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om heroverweging van Nederland. Nederland is alleen daarom al verantwoordelijk voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van verzoeker. Ook anderszins heeft verweerder ten onrechte Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat voor de asielprocedure van verzoeker aangemerkt. Verweerder gaat namelijk ten onrechte uit van de meerderjarigheid van verzoeker. Daarnaast voldoet Oostenrijk niet aan zijn verplichtingen uit de Opvang- en de Procedurerichtlijn. 4. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de ingebrachte gronden. 5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 5.1. Verzoeker heeft spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening omdat hij binnen 48 uur overgedragen wordt aan Oostenrijk. De voorzieningenrechter acht het verzoek daarom ontvankelijk. 5.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielprocedure van verzoeker. Verweerder heeft op 8 november 2021 verzocht om heroverweging van het claimakkoord en de Oostenrijkse autoriteiten hebben hier op 22 november 2021 op gereageerd. Anders dan verzoeker betoogt hebben de Oostenrijkse autoriteiten hiermee binnen de termijn van veertien dagen (uiterlijk 22 november 2021) op het verzoek om heroverweging gereageerd. Nu het overdrachtsbesluit bij uitspraak van 15 juli 2022 in rechte is vast komen te staan én uit het nadere gehoor bovendien geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot inwilliging van de herhaalde asielaanvraag nopen, heeft verweerder op goede gronden mogen concluderen dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoeker. 5.3. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op goede gronden uitgaat van de meerderjarigheid van verzoeker. Verzoeker staat in Oostenrijk als meerderjarige geregistreerd en verweerder is daar ook in de eerste asielaanvraag van uit gegaan. De thans door verzoeker overgelegde documenten die de meerderjarigheid van eiser betwisten, zijn weliswaar echt bevonden, maar dit betreffen slechts indicatieve documenten en kunnen daarom niet afdoen aan de leeftijdsregistratie in Oostenrijk. De gestelde minderjarige leeftijd van eiser vormt dan ook geen beletsel voor de feitelijke overdracht naar Oostenrijk. 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. 7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk. ECLI:NL:RBGEL:2022:3629

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...