ECLI:NL:RBDHA:2022:15130
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2022-12-16
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
vovo in beroep - bob I ingetrokken - geen procedureel verblijfsrecht in bezwaar - verzet me nietje - kennelijk gegrond - verzoeker mag bob II in NL afwachten - pkv + griffierecht.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.14143 (voorlopige voorziening) uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2022 in de zaak tussen [verzoeker], verzoeker V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. I. Petkovski), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Latul). Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor wijziging van het verblijfsdoel ‘zoekjaar arbeid’ naar ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ afgewezen. Bij ditzelfde besluit heeft verweerder een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken aan verzoeker opgelegd. Bij besluit van 17 februari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft bij de rechtbank beroep (zaaknummer: NL22.4525) ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland kan afwachten. Ook heeft verzoeker verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en terugbetaling van het door verzoeker betaalde griffierecht. Bij brief van 19 oktober 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en toegezegd zo snel mogelijk opnieuw op het bezwaarschrift van verzoeker te beslissen. Tevens heeft verweerder vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker aangeboden. Bij brief van 19 oktober van 2022 heeft verzoeker aangegeven het beroep enkel te willen intrekken, onder toewijzing van de voorlopige voorziening, gelet op het feit dat verweerder in zijn brief van 19 oktober 2022 niet heeft toegezegd dat eiser de hernieuwde behandeling van zijn bezwaarschrift in Nederland kan afwachten. Bij brief van 8 december 2022 heeft verweerder aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. Verzoeker mag niet worden uitgezet, totdat verweerder opnieuw op het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 augustus 2021 heeft beslist. 2. Er bestaat in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek toe en bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoeker uit Nederland achterwege dient te blijven tot na de bekendmaking van de nieuwe beschikking op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 759,- (zevenhonderdnegenenvijftig euro), te betalen aan verzoeker; - gelast dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- (honderdeenentachtig euro) vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...