Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2022:1459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2022-02-21
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL21.18512
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
6.482 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Egyptische. Asielaanvraag afgewezen als ongegrond, omdat asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. Inconsistent en wisselend verklaard. Geen schending artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Beroep ongegrond. Mondeling.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.18512 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R. Achttienribbe), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. van Raak). Procesverloop Bij besluit van 19 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn vrees voor de familie [naam familie]. Verweerder heeft in dat verband terecht overwogen dat eiser inconsistent heeft verklaard over het aantal keren dat hij telefonisch zou zijn bedreigd. In reactie op de zienswijze, onder verwijzing naar de correcties en aanvullingen, dat de verklaringen betrekking hebben op enerzijds de vaste telefoon en anderzijds de mobiele telefoon heeft verweerder in het bestreden besluit terecht gewezen op het feit dat eiser tijdens het gehoor uitdrukkelijk is gevraagd om het totaal aantal bedreigingen en dat eiser zijn antwoord later in het gehoor nog heeft bevestigd. 2. Evenzeer terecht stelt verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over het kopen van een nieuwe simkaart om de dreigtelefoontjes te ontlopen. In het bestreden besluit heeft verweerder - in reactie op de zienswijze dat in de correcties en aanvullingen is uitgelegd dat eiser de simkaart van zijn vader heeft gekregen - benadrukt dat eiser meerdere malen heeft verklaard dat hij de simkaart zelf had gekocht, zodat niet wordt gevolgd dat dit een misverstand of vertaalfout zou zijn geweest. 3. Eiser heeft voorts wisselend verklaard over het moment waarop de dreigtelefoontjes zijn gestopt: in reactie op de zienswijze in dit verband heeft verweerder in het bestreden besluit toegelicht dat eiser enerzijds heeft verklaard dat de bedreigingen zijn gestart op 10 juli 2021 en dat hij in totaal twee weken is bedreigd, anderzijds heeft eiser verklaard dat hij na het verkrijgen van een nieuwe simkaart eind juli /begin augustus verdere bedreigingen heeft gekregen via de vaste telefoon. 4. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eisers verklaringen geen concrete, harde aanwijzingen bevat dat de dreigtelefoontjes van de familie [naam familie] waren. Eiser heeft immers zelf verklaard dat hij niet wist wie hij aan de lijn had, het steeds andere personen betrof en dat hij hun nummer niet kende. Eiser baseert zich dan ook op vermoedens, die als zodanig het relaas niet aannemelijk maken. 5. Ten slotte heeft verweerder ook kunnen wijzen op eisers verklaring 'de eerste dreigementen heb ik in juli (2021) ontvangen want de verdachte 3-4 zijn in januari (2021) vrijgesproken', hetgeen de vraag oproept waarom de familie [naam familie] in de gestelde jarenlange familievete een half jaar zou wachten met het bedreigen van eiser. Verder is ook niet aannemelijk gemaakt dat de problemen met de familie [naam familie] op eiser persoonlijk zien. 6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder hem in strijd met artikel 16 van de Procedurerichtlijn in wezen niet de gelegenheid heeft gegeven om eventuele inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen uit te leggen. Hoewel de correcties en aanvullingen op een gehoor inderdaad die functie hebben, mag verweerder hierbij ook verlangen dat eiser hiervoor een plausibele verklaring geeft. De algemene opmerking in de zienswijze dat correcties en aanvullingen veelal samenhangen met het feit dat een vreemdeling of tolk verkeerd is begrepen, heeft verweerder niet hoeven accepteren als verklaring in het specifieke geval van eiser. 7. Van strijd met de samenwerkingsverplichting is evenmin sprake. Verweerder is niet gehouden om iedere tegenstrijdigheid vooraf met eiser te bespreken. Verder gaat het bij verschillende van de tegenwerpingen om herhaalde verklaringen van eiser. Van een ontoereikende communicatie tussen eiser en de tolk blijkt in elk geval niet uit het verslag van het nader gehoor. Eiser heeft aangeven hem goed te hebben begrepen en verstaan en geen opmerkingen te hebben over zijn werkwijze. In reactie op de zienswijze heeft verweerder in dit verband toegelicht dat de gehoormedewerker tijdens het nader gehoor niet aan de tolk heeft verzocht om eenduidig te vertalen, maar om letterlijk te vertalen omdat eiser soms geen antwoord gaf op een vraag. 8. Dat de verklaringen van eiser steun vinden in de landeninformatie over Egypte is door verweerder gemotiveerd betwist en vormt gegeven de gemaakte tegenwerpingen overigens ook geen aanleiding voor de conclusie dat eisers relaas alsnog aannemelijk moet worden geacht. 9. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is dan ook ongegrond. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Rapport nader gehoor van 5 november 2022, p. 6 en 14 van 17. Rapport nader gehoor van 5 november 2022, p. 16 van 17. Rapport nader gehoor van 5 november 2022, p. 13 en 14 van 17. Rapport nader gehoor van 5 november 2022, p. 12 van 17. Rapport nader gehoor van 5 november 2022, p. 13 van 17. Richtlijn 2013/32/EU. Rapport nader gehoor 5 november 2021, p. 2 en 17 van 17.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...