Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2022:11246

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2022-03-29
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL21.11212
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
nee
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
nee
Tekstlengte
5.458 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Intrekking; BNT; pkv

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11212 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.J. Schüller), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: F. Gieskes). Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 10 maart 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Bij bericht van 11 maart 2022 heeft eiseres de rechtbank meegedeeld dat zij het door haar ingestelde beroep niet intrekt en dat het zich nu richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij bericht van 15 maart 2022 heeft verweerder op het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen gereageerd. Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt. 2. Nu verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij de beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen dat besluit. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk. 3. Het bericht van eiseres van 11 maart 2022 merkt de rechtbank aan als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit1. 4. Verweerder heeft bij het besluit van 10 maart 2022 volstaan met het intrekken van het bestreden besluit en heeft niet opnieuw een besluit genomen. Verweerder heeft aangegeven dat hij opnieuw op de aanvraag van 27 december 2019 zal beslissen. Verweerder heeft daarmee dus niet binnen de op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor het nemen van een besluit op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beslist. 5. Nu verweerder ermee bekend was dat, na de intrekking van het bestreden besluit, de situatie zou ontstaan dat op de aanvraag van 27 december 2019 niet tijdig is beslist, kon redelijkerwijs niet van eiseres worden gevergd dat zij voorafgaand aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen verweerder in gebreke stelde2. 6. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 27 december 2019 is gegrond. Dit met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit dient wegens strijd met artikel 42, eerste lid, van de Vw te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om in dit geval toepassing te geven aan artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en de termijn waarbinnen verweerder een nieuw besluit moet nemen en bekend moet maken vast te stellen op 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Verweerder heeft aangegeven dat hij eiseres aanvullend zal moeten horen en dat hij deze termijn daarom nodig heeft om een nieuw besluit te kunnen nemen. Voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft om deze uitspraak na te leven, wordt een dwangsom verbeurd.3 De rechtbank zal de dwangsom bepalen op € 100,- per dag, met een maximum van € 7.500,- 7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen voor het indienen van het beroep). Verweerder heeft in zijn berichten van 10 en 15 maart 2021 ook aangegeven bereid te zijn dit bedrag te betalen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; 1. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2 Gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Awb. 3 Ingevolgde artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- , met een maximum van € 7.500,-, verbeurt voor elke dag dat hij voormelde termijn overschrijdt; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 759,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 maart 2022 Documentcode: [nummer] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...