ECLI:NL:RBDHA:2022:11015
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2022-02-08
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring, vovo, connexiteit, beroep ingetrokken, niet-ontvankeljik
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/461 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. van Bennekom), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop In het besluit van 20 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer NL22.1014. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer AWB 22/461. Verweerder heeft op 28 januari 2022 de maatregel van bewaring opgeheven, schadevergoeding aangeboden (€ 930,-) en aangeboden om de proceskosten te vergoeden (€ 759,-). Verzoeker heeft vervolgens het beroep met zaaknummer NL22.1014 ingetrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoeker gehandhaafd. Hierop zal de voorzieningenrechter in deze uitspraak afzonderlijk beslissen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. 2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. Door het intrekken van het beroep met zaaknummer NL22.1014, loopt er geen beroepsprocedure meer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt aan het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen de in artikel 8:81 van de Awb vereiste connexiteit, zodat het verzoek met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder onderzoek ter zitting niet-ontvankelijk wordt verklaard. 4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2022. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...