Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2021:4690

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2021-04-14
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL21.3662
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
19.492 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres, waaronder mede begrepen haar vier minderjarige kinderen, afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft niet geloofwaardig bevonden dat eiseres is gevlucht wegens aanstaande besnijdenis. Verweerder heeft niet in strijd gehandeld met artikel 3.113, tweede lid, van het Vb of artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op de ongerijmde, algemene en summiere verklaringen het relaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Eiseres heeft onder meer geen informatie overgelegd waaruit anders dan de door verweerder overgelegde algemene informatie blijkt dat vrouwenbesnijdenis gebruikelijk is binnen haar bevolkingsgroep. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.3662 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , eiseres, V-nummer: [nummer 1] mede namens haar minderjarige kinderen [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2015, V-nummer: [nummer 2] , [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2016, V-nummer: [nummer 3] , [naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2018, V-nummer: [nummer 4] , [naam kind 4] , geboren op [geboortedatum kind 4] 2020, V-nummer: [nummer 5] , (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. ). Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarnaast is bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en wordt aan haar geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021 in Dordrecht. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum eiseres] . Eiseres legt – samengevat weergegeven - aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij Nigeria heeft verlaten omdat haar familie en gemeenschap haar wilde besnijden voordat zij beviel. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiseres voor besnijdenis van zowel zichzelf als haar dochter, [naam kind 2] . 2.1. Het asielrelaas bevat de volgende relevante elementen: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - eiseres is gevlucht wegens aanstaande besnijdenis. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder heeft echter niet als geloofwaardig aangemerkt dat eiseres is gevlucht omdat zij zou worden besneden. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 3. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, doordat tijdens de gehoren geen rekening is gehouden met het advies van het Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU)van 14 september 2020. Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 maart 2021, NL20.10956 en de annotatie bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 17 januari 2020, ECLI;NL:RV2:2020:136 van K. Zwaan en E. Bloemen, JV 2020/54), paragraaf 5 van Werkinstructie 2010/13 en paragraaf 3.2.2. van Werkinstructie 2014/10. 3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zowel tijdens het gehoor als tijdens de besluitvormingsfase voldoende rekening heeft gehouden met het FMMU-advies. In het advies van FMMU staat dat eiseres kan worden gehoord, maar dat zij moeite heeft met het benoemen van geografische en tijdsaanduidingen. Tijdens het nader gehoor is aangegeven dat rekening wordt gehouden met de opmerking dat eiseres moeite heeft met data en plaatsen. Eiseres verklaarde toen dat er data zijn die zij weet, maar ook data die zij niet weet en dat zij geen dingen gaat noemen die zij niet meer weet (pagina 3). Gelet hierop heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat mag worden uitgegaan van de data en plaatsen die eiseres tijdens het gehoor wél en op eigen initiatief heeft genoemd. Ondanks dat het nader gehoor een aantal keren is onderbroken (pagina 7, 8), blijkt nergens uit dat verweerder niet heeft mogen uitgaan van wat eiseres heeft verklaard. Tot op de zitting is ook niet onderbouwd welke verklaringen onjuist zouden zijn of welke verklaringen ten onrechte niet (volledig) zijn genoteerd. Eiseres heeft aan het einde van het gehoor ook verklaard dat het goed ging (pagina 10). Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 maart 2021 treft geen doel. Uit rechtsoverweging 18 van die uitspraak blijkt dat verweerder nagenoeg alle tegenwerpingen in die zaak heeft gebaseerd op het niet kunnen reconstrueren van de tijdlijn. In onderhavig beroep is dat anders. De tegenwerpingen zijn niet gebaseerd op (fouten) in geografische en tijdsaanduidingen, maar op de eigen verklaringen van eiseres over haar leeftijd en die van haar zussen (in relatie tot de leeftijd van hun moeder). 4. Eiseres betoogt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), waarin artikel 16 van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) is geïmplementeerd door haar voor het eerst in het voornemen te overvallen met tegenstrijdigheden. Ter onderbouwing verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 december 2020 ECLI:NL:RVS:2020:2959 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 3 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6510. 4.1. Artikel 3.113, tweede lid, van het Vb, voor zover relevant, luidt: Op de derde dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen. Bij het afnemen van het nader gehoor wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. 4.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij niet in strijd met artikel 3.113, tweede lid, van het Vb of artikel 16 van de Procedurerichtlijn heeft gehandeld. Eiseres heeft in haar vrije relaas verklaard dat zij twintig jaar oud was toen zij in Nigeria ziek werd en erachter kwam dat zij zwanger was, waarna haar familie zei dat zij moest worden besneden voordat ze zou bevallen (pagina 4). In het bestreden besluit is dit eiseres tegengeworpen, omdat uit Eurodac blijkt dat zij op 17 november 2014 asiel heeft aangevraagd in Italië. Op dat moment was eiseres negentien jaar oud. De Eurodacregistratie is feitelijke informatie en kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gelijkgesteld met een verklaring waarmee eiseres gedurende het gehoor moest worden geconfronteerd. Overigens is in het nader gehoor aan eiseres ter controle nader gevraagd of haar verklaring dat in haar dorp alle meisjes van negentien of twintig jaar moeten worden besneden, klopt. Eiseres herhaalde toen nogmaals dat zij twintig jaar was en ook moest worden besneden (pagina 6). 4.3. Eiseres is ook tegengeworpen dat zij wisselend of tegenstijdig heeft verklaard over het moment dat zij erachter kwam dat binnen haar gemeenschap besnijdenissen plaatsvonden. Gedurende het nader gehoor heeft de gehoorambtenaar aan eiseres nadere vragen gesteld die te maken hadden met het moment waarop eiseres erachter kwam dat besnijdenissen plaatsvonden binnen haar gemeenschap. Eiseres verklaarde in haar vrije relaas dat “toen zij opgroeide” iedereen begon te zeggen dat zij besneden moest worden. Zij zei dat zij dat niet wilde (pagina 4). Verweerder heeft vervolgens gevraagd of zij altijd al wist dat zij zou worden besneden. Eiseres verklaarde hierop dat zij dit niet wist toen zij klein was. Toen zij zag dat meisjes naar het bos werden gebracht om te worden besneden en kwamen te overlijden, was zij al groot (pagina 6). Op de vraag hoe oud zij was toen zij begreep dat besnijdenissen plaatsvonden binnen haar gemeenschap, heeft eiseres geantwoord dat zij negentien was. Verweerder heeft eiseres weliswaar niet tijdens het nader gehoor hiermee geconfronteerd maar in de correcties en aanvullingen heeft eiseres er niets over gezegd en noch in de zienswijze noch in de beroepsgronden of ter zitting heeft eiseres op deze tegenwerping inhoudelijk gereageerd. Verweerder had een reactie van eiseres in de correcties en aanvullingen of in de zienswijze kunnen geven, waarna verweerder die in het bestreden besluit had kunnen meenemen. Ook in beroep (als dat in de zienswijze niet lukte) had eiseres een reactie kunnen geven. Zij heeft in beroep met name op algemene informatie over besnijdenis in Nigeria gewezen en niet op verweerders stelling op dit punt. Eiseres is dus op geen enkele wijze benadeeld. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank de handelwijze van verweerder niet in strijd met genoemd artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Dat in de Afdelingsuitspraak van 14 december 2020 waar eiseres naar verwijst is overwogen dat de mogelijkheid om correcties en aanvullingen in te dienen en om een zienswijze op het voornemen uit te brengen onverlet laat dat de staatssecretaris eiser in die zaak had moeten confronteren met de tegenstrijdigheden gaat, treft geen doel. Anders dan in dit geval ging het in die zaak om een groot aantal tegenstrijdigheden, waarbij de eiser in die zaak met geen enkele daarvan is geconfronteerd, terwijl dat wel van verweerder gevraagd had mogen worden. Verweerder had de eiser in die zaak daarmee niet mogen overvallen. Zo’n situatie is hier niet aan de orde. 5. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig acht dat zij is gevlucht uit Nigeria vanwege haar aanstaande besnijdenis. Eiseres betoogt ook dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor haar en meer in het bijzonder haar minderjarige dochter geen gegronde vrees voor vrouwenbesnijdenis is bij terugkeer naar Nigeria. Daartoe voert eiseres als eerste aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn door in zijn besluitvorming geen nauwkeurige en actuele informatie uit verschillende bronnen te betrekken, terwijl die er wel is. Hiertoe verwijst eiseres naar: - het rapport van United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) over de bescherming van ontheemden, van mei 2020; - het rapport ‘Country Policy and Information Note Nigeria: Female Genital Mutilation (FGM), van UK Home office, van augustus 2019; - het antwoord op de vraag over de verspreiding van vrouwenbesnijdenis, wettelijke voorschriften en organisaties in Nigeria van Austrian Centre for Country of Origin & Asylum Research and Documentation (ACCORD), van 9 maart 2020; - het rapport ‘Nigeria 2019 Human Rights Report’ van U.S. Department of State (USDOS), van 11 maart 2020; - het artikel ‘FGM in Nigeria: Combative Legislation and the Issue’s Impact on the Economic Growth of Women’ van Impakter van 25 juni 2019. Verder stelt eiseres onder verwijzing naar het rapport ‘Country profile: FGM in Nigeria’ van 28 Too Many van oktober 2016 dat het mogelijk is dat zij alsnog wordt besneden. Eiseres vindt in dit rapport eveneens steun voor haar verklaring dat zij zich meerdere malen heeft gewend tot de politie voor bescherming tegen deze traditie, maar dat de politie haar niet helpt. Ook uit het rapport ‘Nigeria: Law and FGM’ van 28 Too Many van juni 2018 en het rapport ‘Nigeria: Freedom in the World 2017’ van Freedom House blijkt dat hoewel er wetgeving bestaat die genitale verminking strafbaar stelt, de praktijk wijdverbreid blijft en het lastig is om dergelijke wetgeving te handhaven, aldus eiseres. 5.1. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiseres vanwege haar aanstaande besnijdenis is gevlucht uit Nigeria. Haar verklaringen dat het traditie is dat vrouwen binnen haar gemeenschap op negentien of twintigjarige leeftijd worden besneden, rijmen niet met informatie uit de openbare bronnen. Verweerder heeft gewezen op het rapport ‘Female genital cutting in southern urban and peri-urban Nigeria: self reported validity, social determinantsand secular decline van Snow, Slanger, Okonofue, Oronsaye en Waker, van januari 2002. Hierin staat dat vrouwenbesnijdenis binnen de bevolkingsgroep waar eiseres bij hoort (Ishan) in vergelijking met de andere bevolkingsgroepen het minst voorkomt (pagina 94). Hoewel cijfers uit 2002 over vrouwenbesnijdenis binnen de bevolkingsgroep Ishan waarbij eiseres hoort niet direct iets zeggen over de huidige situatie, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de door eiseres overgelegde recentere bronnen niet blijkt dat de situatie is veranderd. Hierdoor kan verweerder ervan uit gaan dat de situatie van de Ishan op dit punt niet is gewijzigd en dat de door hem overgelegde informatie actueel en nauwkeurig is. Verweerder heeft eiseres ook niet ten onrechte tegengeworpen dat zij weinig en summier heeft verklaard over de gestelde traditie binnen haar gemeenschap. Op de vraag naar de rituelen die horen bij vrouwenbesnijdenis en naar wie het uitvoert, verklaarde eiseres dat meisjes naar een bos worden gebracht om te worden besneden door mensen van de gemeenschap (pagina 6). Op de vraag naar de achterliggende gedachte van vrouwenbesnijdenis in het nader gehoor verklaarde eiseres enkel dat het traditie is, zonder hier nadere uitleg over te geven (pagina 8). Verweerder heeft deze verklaringen niet ten onrechte onvoldoende bevonden. Eiseres haar verklaring dat in de gemeenschap hier niet veel over wordt gesproken en dat zij daarom hierover niet gedetailleerd kan verklaren, maakt niet dat van eiseres niet mag worden verwacht dat zij uitvoeriger kan verklaren over het gebruik waarvoor zij stelt te zijn gevlucht. 5.2. Hoewel het mogelijk is dat een onbesneden vrouw of meisje als zij terugkeert naar Nigeria alsnog wordt besneden, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit haar of haar dochter ook zal overkomen. Uit onder meer uit het rapport ‘Demographic and Health Survey 2013’ van National Population Comission van juni 2014, pagina 352 – 353 blijkt dat 82% van de vrouwen die worden besneden al voor hun vijfde leeftijd zijn besneden. Eiseres heeft ongeloofwaardig verklaard over besnijdenis bij vrouwen van achttien tot twintig jaar. En over besnijdenis op jongere leeftijd heeft zij niets verteld. Hierom heeft verweerder er dan ook niet vanuit hoeven gaan dat het binnen haar gemeenschap bij jongere meisjes gebeurt. Verder staat in het door eiseres overgelegde antwoord van ACCORD dat de verspreiding van vrouwenbesnijdenis afneemt en dat de prevalentie het laagst is in het Noordoosten van Nigeria, waar eiseres haar woonplaats Uromi ligt. 5.3. Hetgeen is overwogen onder 4.2. en 4.3. doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas. Eiseres is ook niet ten onrechte tegengeworpen dat zij een onaannemelijke verklaring heeft afgelegd over de leeftijd van haar twee ouderen zussen. Eiseres heeft in het eerste gehoor verklaard dat haar moeder is geboren in 1970 (pagina 7). In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor staat dat haar moeder tijdens de bevalling van eiseres in 1994 is overleden (pagina 1). Eiseres verklaarde in het nader gehoor dat haar tante haar op jonge leeftijd naar haar vader bracht (pagina 5). Haar twee oudere zussen gingen niet mee, omdat zij al waren overleden op achttien en negentienjarige leeftijd (pagina 5, 9). Dit zou betekenen dat eiseres haar moeder rond haar tiende leeftijd al twee kinderen had gebaard. In het nader gehoor verklaarde eiseres dat zij haar tante niet kende maar dat ze klein was toen zij bij haar woonde (pagina 5). Eiseres haar stelling dat zij ook bij de leeftijd van negentien of twintig aangeeft dat ze jong was wordt dan ook niet gevolgd. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat deze onwaarschijnlijkheid afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. 5.4. Nu eiseres gelet op het bovenstaande niet aannemelijk heeft gemaakt dat vrouwenbesnijdenis binnen haar gemeenschap voorkomt, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat ook ten aanzien van haar minderjarige dochter, bij terugkeer naar Nigeria geen gegronde vrees bestaat voor vrouwenbesnijdenis. Het door eiseres overgelegde rapport van het VN Kindercomité van 5 maart 2021, op grond waarvan eiseres onder meer stelt dat verweerder het belang van haar minderjarige dochter onvoldoende heeft meegewogen, slaagt niet nu niet is gebleken dat zich voor haar een risico op besnijdenis voordoet. 5.5. Overigens is het zo dat uit het rapport ‘Nigeria: Law and FGM’ van 28 Too Many van juni 2018 blijkt dat er wetgeving bestaat die vrouwenbesnijdenis verbiedt en dat Edo State (waarin Uromi ligt) een van de eerste deelstaten was in Nigeria met dergelijke wetgeving. Hoewel uit de rapporten van USDOS en UK Home Office naar voren komt dat vrouwenbesnijdenis plaatsvindt ondanks dat er een wet is die dit verbiedt en de staat geen actie onderneemt om dit in de praktijk te voorkomen, volgt hieruit niet dat de politie hier niets tegen kan doen als om bescherming wordt gevraagd. Op pagina 28 en 29 van het rapport van UK Home Office welke straffen kunnen worden opgelegd als de wet die vrouwenbesnijdenis verbiedt, wordt geschonden. Daarnaast blijkt uit het artikel van Impakter dat de beperkte effectiviteit van de wet tegen vrouwenbesnijdenis voornamelijk te maken heeft met de onbekendheid van deze wet onder de Nigerianen. Overigens merkte verweerder ter zitting terecht op dat de overgelegde informatie ziet op handhaving van wetgeving die op federaal niveau is gemaakt en niet op de handhaving van wetgeving van Edo State. 5.6. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet. 6.1. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de belangen van de andere kinderen voldoende heeft meegewogen. Eiseres heeft immers verklaard dat zij uit Nigeria is vertrokken vanwege de aanstaande besnijdenis en niet vanwege andere problemen (pagina 4-5, nader gehoor). Verweerder heeft hierdoor mogen aannemen dat de belangen van de andere kinderen, net zoals van eiseres en haar dochter enkel omdat zij Nigeriaans zijn, uit Uromi komen en tot de Ishan behoren, niet zullen worden geschaad bij terugkeer naar Nigeria. 7. Het beroep is ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. P.R. de Man, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...