Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2021:3436

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2021-03-12
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL21.477
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
65.737 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Eiser heeft de Rwandese nationaliteit en is van Twa etniciteit. Eiser heeft in 2012 aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij sinds 1991 mensenrechtenactivist is en (functie) van een belangenorganisatie voor de Twa . Vanwege deze functie en zijn Twa afkomst stelt hij te vrezen voor vervolging door de Rwandese regering. Verweerder heeft de eerdere asielaanvragen van eiser steeds afgewezen. De rechtbanken hebben deze besluiten steeds vernietigd en de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser van Twa-etniciteit is en actief is als mensenrechtenactivist, maar gelooft niet dat hij daarmee in de negatieve belangstelling stond. Dat dit in rechte is vast komen te staan, maakt nog niet dat eiser in daaropvolgende asielprocedures dit niet aannemelijk kan maken. Ten aanzien van de grote hoeveelheid documenten die eiser heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de mensenrechtensituatie in Rwanda voor mensen van Twa-etniciteit en voor mensenrechtenactivisten is verslechterd en dat eiser daadwerkelijk een risico loopt. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij verweerder zal opdragen een asielvergunning te verstrekken. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de arresten van het Hof, inzake Alheto en Torubarov. Hoewel het in de eerste plaats aan verweerder is om te beoordelen of de uitspraak van de rechtbank leidt tot verlening van de gevraagde vergunning, is de rechtbank in dit specifieke geval echter van oordeel dat zij, ingevolge punt 65 van het arrest Torubarov, beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens. Verweerder heeft niet gemotiveerd betwist dat een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van alle gegevens die van belang zijn in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden. Indien verweerder van mening is dat er andere omstandigheden zouden kunnen zijn op grond waarvan verlening van de verblijfsvergunning niet zou kunnen plaatsvinden, had hij dat naar voren moeten brengen. Bovendien heeft verweerder nagelaten gebruik te maken van twee eerdere mogelijkheden om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, zal de rechtbank in het kader van finale geschillenbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien in die zin, dat de rechtbank aan verweerder opdraagt aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen met ingang van 19 juli 2019.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.477 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos). Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 10 februari 2021 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL21.478, vanwege corona gerelateerde omstandigheden telefonisch plaatsgevonden op 11 februari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Eiser heeft de Rwandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1960 . Procedureverloop Asielrelaas 2. Eiser heeft eerder, op 1 maart 2012, een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Rwanda en van Twa etniciteit is (ook wel genoemd Batwa). Hij is sinds 1991 actief voor de Batwa belangenorganisatie [organisatie 1] ( [organisatie 1] ). Vanwege die functie en zijn Twa afkomst stelt hij te vrezen voor vervolging door de Rwandese regering. Hij is in 2011 voor een cursus naar Nederland gekomen en heeft niet terug kunnen keren omdat zijn vrouw in Rwanda twee oproepen voor hem heeft ontvangen, waaruit blijkt dat hij wordt gezocht in verband met genocide. Voorgaande aanvragen 3. Verweerder heeft de eerste asielaanvraag van eiser bij besluit van 29 april 2014 afgewezen omdat het asielrelaas volgens verweerder positieve overtuigingskracht miste. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch is het beroep tegen deze afwijzing ongegrond verklaard en dat is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 3 augustus 2015. 3.1 Hierna heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend en daaraan ten grondslag gelegd dat de situatie in Rwanda voor mensenrechtenactivisten de laatste jaren aanzienlijk is verslechterd. Verweerder heeft deze eerste opvolgende aanvraag bij besluit van 17 september 2015 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), aangezien eiser volgens hem geen nieuwe feiten en omstandigheden had aangevoerd bij deze opvolgende asielaanvraag. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht is het beroep daartegen ongegrond verklaard en dat is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling op 17 november 2015. Huidige aanvraag 3.2 Op 9 juli 2019 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag ligt ten grondslag aan het nu voorliggende bestreden besluit. Eiser heeft zich bij deze aanvraag wederom beroepen op zijn eerdere asielrelaas en heeft daarbij achttien stukken ter onderbouwing overgelegd. 3.3 Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waaraan geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Op 26 september 2019 is het hiertegen ingestelde beroep door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en is verweerder opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen. 3.4 Verweerder heeft hierna de aanvraag wederom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Op 21 juli 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond verklaard, omdat – kort gezegd – het besluit niet in overeenstemming was met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 september 2019. 3.5 Verweerder heeft vervolgens deze aanvraag op 6 januari 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Dit besluit ligt nu voor bij de rechtbank. Het bestreden besluit 4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, kort samengevat, op het standpunt dat de overgelegde documenten geen aanleiding vormen om aan te nemen dat bij terugkeer naar Rwanda thans wel sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Verweerder betrekt daarbij dat sinds 2015 vaststaat dat eiser in het verleden, in elk geval tot 2015, actief is geweest voor de [organisatie 1] . Dat eiser sinds 2015 deze activiteiten heeft voortgezet, acht verweerder niet geloofwaardig. Ten aanzien van eisers [functie] van de [organisatie 2] ( [organisatie 2] ) acht verweerder ook niet geloofwaardig dat eiser op dit moment activiteiten ontplooit als mensenrechtenactivist voor deze organisatie. Ten aanzien van de bij de zienswijze overgelegde documenten stelt verweerder zich op het standpunt dat niet valt in te zien dat deze niet eerder konden worden ingebracht. Verder komt uit deze documenten nog steeds niet het beeld naar voren dat daadwerkelijk sprake is van activiteiten van eiser ter behartiging van de belangen van de Twa-gemeenschap in de periode sinds de laatste uitspraak in 2015. Hooguit kan worden gesproken van het hebben van belangstelling dan wel ondersteuning van de belangenbehartiging voor de Twa-gemeenschap. Verweerschrift bij de beoordeling betrekken? 5. Voordat de rechtbank ingaat op de inhoudelijke gronden, overweegt zij het volgende. Eiser heeft ter zitting gesteld dat het indienen van het verweerschrift, minder dan 24 uur voorafgaand aan de zitting, in strijd met de goede procesorde is. Deze stelling volgt de rechtbank niet. Onderhavige zaak betreft een zogenaamde 4 weken-zaak, waarvoor geldt dat verweerder ook pas op zitting zijn standpunt naar aanleiding van de beroepsgronden naar voren mag brengen. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat anders naar dit verweerschrift moet worden gekeken dan indien verweerder mondeling ter zitting zijn verweer zou voeren. Bovendien staat in de uitnodigingsbrief van 15 januari 2021 vermeld dat partijen nieuwe stukken uiterlijk op woensdag 10 februari 2021 mogen indienen. Verweerder heeft op 10 februari 2021 om 16.30 uur het verweerschrift geüpload. Voorts heeft eiser de gelegenheid gehad het verweerschrift ter zitting te lezen en desgevraagd niet kunnen aangeven of er nieuwe standpunten van verweerder in staan. Er is daarom geen sprake van strijd met de goede procesorde en de rechtbank betrekt het verweerschrift van 10 februari 2021 dan ook bij haar oordeel. De beroepsgronden 6. Allereerst zal de rechtbank een oordeel geven over verweerders standpunt dat ongeloofwaardig is dat eiser ook na 2015 politiek actief is middels zijn [functie] van de [organisatie 1] en [organisatie 2] . Daarna zal de rechtbank vaststellen wat in de eerdere uitspraken naar aanleiding van de onderhavige asielaanvraag is geoordeeld en waar de rechtbank vanuit zal gaan in de beoordeling van de gronden. Vervolgens zal de rechtbank de gronden van eiser ten aanzien van de vraag of hij heeft aangetoond dat er sprake is van een verslechterde politieke en mensenrechtensituatie in Rwanda, en ten aanzien van de vraag of eiser in combinatie met zijn politieke overtuiging en etniciteit gegronde vrees heeft om in Rwanda vervolgd te worden, samen beoordelen. Dit omdat deze beroepsgronden in grote mate overlap hebben. Tot slot zal de rechtbank ingaan op het verzoek van eiser aan de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beroepsgrond 1: Eisers politiek activisme bij [organisatie 1] en [organisatie 2] sinds 2015 Standpunt eiser 7. Eiser heeft bij de zienswijze van 17 november 2020 de volgende documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn activiteiten sinds 2015 (de rechtbank heeft voor de duidelijkheid de nummering aangehouden zoals die in de gronden van beroep en in het bestreden besluit zijn vermeld): 19. Verklaring van The Hague Peace Projects (HPP), ondertekend door [naam 1] , [functie] , en [naam 2] , [functie] , van 16 november 2020; 20. Verslag van Journée Euro Africaine in Brussel in het kader van de internationale dag van de inheemse volkeren op 13 augustus 2016; 21. Verslag van de Diaspora Conference on the Great Lakes Region bij het Institute for Social Studies in Den Haag (gehouden 24-26 november 2016), met aanwezigenlijst en persverklaring; 22. Document inzake initiatief tot een grote [organisatie 2] conferentie (projectvoorstel) (september 2017); e-mailcorrespondentie over de betrokkenheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (september 2017); 23. Document inzake organisatie van een evenement in Brussel door eiser met [organisatie 1] en [organisatie 2] als side event van de International Climate Change Conference in november 2017; 24. Mailwisseling van december 2017 en maart 2018 met de programmamanager inzake de inzet van eiser om een projectvoorstel in te dienen bij de organisatie [naam 20] , alsmede het projectvoorstel; 25. E-mailcorrespondentie over een projectvoorstel ingediend bij [naam 20] (juni 2018); 26. E-mailcorrespondentie over een gesprek dat eiser in mei 2019 met een medewerker van de Europese Commissie heeft gevoerd over, onder andere, het programma van [organisatie 2] , alsmede een naar de betreffende medewerker verzonden businessplan van [organisatie 2] ; 27. Uitnodiging van eiser in december 2019 om als vertegenwoordiger van [organisatie 2] als waarnemer aanwezig te zijn bij de dertiende samenkomst van het ‘Comité intergouvernemental pour la protection et la promotion de la diversité des expressions culturelles’ bij de UNESCO van 11 tot 14 februari 2020, alsmede e-mailcorrespondentie met het secretariaat van de conferentie over de deelnemers namens [organisatie 2] ; 28. De deelnemerslijst van de zevende bijeenkomst bij de UNESCO in Parijs in het kader van een conferentie ‘Conference of parties to the convention on the protection and promotion of diversity of cultural expressions’ die plaatsvond van 4 tot 7 juni 2019; 29. E-mailcorrespondentie en een brochure betreffende fondsenwerving ten behoeve van [organisatie 2] in 2020; 30. Projectplan inzake het vanuit de [organisatie 2] Coalitie opzetten in 2020 van een project voor het ontwikkelen van een regionale COVID-19 aanpak ten behoeve van inheemse, gemarginaliseerde volkeren van Burundi, Rwanda, Oeganda en de Democratische Republiek Congo; 31. Verklaring van [naam 5] ; 32. Verklaring van [naam 6] ; 33. Verklaring van eiser zelf; 34. Document waarin de doelstellingen van [organisatie 2] staan vermeld; 35. Brief van de Rwandese ambassade aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van oktober 2015 en e-mailcorrespondentie naar aanleiding daarvan (23/25 oktober 2015). 7.1 Eiser voert, kort samengevat, aan dat uit deze overgelegde documenten blijkt dat hij activiteiten heeft verricht ter behartiging van de belangen van de Twa-gemeenschap, als [functie] van de [organisatie 1] en [organisatie 2] . Uit die documenten blijkt dat eiser zijn activiteiten voor de [organisatie 1] ook na 2015 heeft voortgezet. Verweerder motiveert niet wat in zijn optiek het verschil is tussen ondersteuning van de belangenbehartiging van de Twa-gemeenschap, en activiteiten ter belangenbehartiging van de Twa-gemeenschap. Naar de mening van eiser komen beide op hetzelfde neer, namelijk dat eiser zich heeft ingezet ter bevordering van de Twa-gemeenschap. Aan het besluit kleeft op dit punt dan ook een motiveringsgebrek. Verder heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 26 september 2019 in rechtsoverweging 4.2 geoordeeld dat het feit dat een aantal documenten dateert van voor de asielaanvraag, niet betekent dat deze reeds daarom niet voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen. Ook is in 4.3.1 overwogen dat ‘op voorhand niet geconcludeerd kon worden dat deze stukken niet kunnen leiden tot de conclusie dat eiser (thans) bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade’. Daarmee was dus sprake van een situatie als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn . Hiertoe verwijst eiser ook naar een noot van [naam 19] . Verweerder acht daarnaast relevant dat de Facebookpagina’s en websites van [organisatie 1] en [organisatie 2] niet goed worden bijgehouden. Eiser heeft al uitgelegd dat deze geen grote rol spelen in de Afrikaanse NGO-context. Het standpunt van verweerder dat niet valt in te zien waarom eiser wel een website en Facebookpagina heeft opgezet en deze vervolgens niet bijhoudt, als deze sowieso geen grote rol spelen in de Afrikaanse NGO-context, volgt eiser niet. Onduidelijk is wat verweerder hiermee wil zeggen. Dat deze pagina’s niet goed worden bijgehouden, betekent nog niet dat zo’n organisatie niet daadwerkelijk bestaat of geen activiteiten ontplooit. Uit de documenten blijkt immers ook dat eiser ter behartiging van de belangen van [organisatie 2] veelvuldig met andere organisaties heeft gecommuniceerd per mail. Standpunt verweerder 7.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de documenten 19 tot en met 35 nog steeds niet het beeld naar voren komt dat daadwerkelijk sprake is van activiteiten van eiser ter behartiging van de belangen van de Twa-gemeenschap in de periode sinds de laatste uitspraak in 2015. Hooguit kan worden gesproken van het hebben van belangstelling voor dan wel ondersteuning van de belangenbehartiging voor de Twa-gemeenschap. Voor een deel van de documenten geldt dat deze niet kunnen worden beschouwd als nieuw gebleken feit of omstandigheid. Verder heeft eiser in het opvolgend gehoor, afgezien van het enkel noemen van een tweede organisatie waarvan hij stelt [functie] te zijn, geen verklaringen afgelegd over zijn activiteiten voor de Twa sinds 2015, terwijl dit van eiser had mogen worden verwacht, nu hij zich immers zo stellig profileert als mensenrechtenactivist en verklaart in Nederland te willen opkomen voor deze minderheid. Het feit dat eiser zich bij de opvolgende aanvraag enkel beroept op zijn eerdere asielrelaas en zelf bij de aanvraag geen bewijsstukken heeft ingebracht van zijn gestelde activiteiten in de periode 2015 tot heden bevreemdt en roept vraagtekens op over de activiteiten van eiser voor de Twa sinds 2015. Verder zou het in de lijn van de verwachting hebben gelegen dat de door eiser ontplooide activiteiten voor [organisatie 2] en [organisatie 1] zouden zijn vermeld op de website en Facebookpagina van deze organisaties. Gelet op het voorgaande neemt verweerder aan dat van activiteiten door eiser als mensenrechtenactivist thans niet of nauwelijks sprake is, althans zeker niet in de mate dat eiser, anders dan ten tijde van de vorige aanvraag, nu wel in de negatieve belangstelling van de Rwandese autoriteiten staat. Oordeel rechtbank 7.3 De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij de documenten 19 tot en met 35 al bij zijn asielaanvraag had moeten overleggen. In de eerdere voornemens en besluiten naar aanleiding van de onderhavige asielaanvraag heeft verweerder zich immers niet op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig zou zijn dat eiser sinds 2015 niet meer actief is voor [organisatie 1] dan wel voor [organisatie 2] . In alle voorgaande voornemens en besluiten onderstreept verweerder juist dat het in eerdere procedures reeds geloofwaardig is geacht dat eiser sinds 1991 actief is voor de Batwa-belangenorganisatie [organisatie 1] . Pas in het voornemen van 22 september 2020 (vijfde pagina), en dus na de meest recente uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen enkel bewijsstuk heeft ingebracht van zijn gestelde activiteiten voor de Batwa (en dus voor [organisatie 1] en [organisatie 2] ) in de periode sinds de laatste uitspraak in 2015. Verweerder kan dan ook niet tegenwerpen, dat hij reeds bij de asielaanvraag documenten in zou dienen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij wel actief was voor [organisatie 1] en [organisatie 2] sinds 2015. Gelet op de uitspraken en de eerdere besluiten naar aanleiding van de onderhavige asielaanvraag, hoefde eiser er immers niet vanuit te gaan dat verweerder die activiteiten ongeloofwaardig achtte. 7.3.1 Ten aanzien van de door eiser overgelegde documenten 19 tot en met 35 is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na 2015 [functie] is van en actief betrokken is bij [organisatie 1] en dat hij een nieuwe organisatie, [organisatie 2] , heeft opgericht waar hij [functie] van is en waarvoor hij activiteiten verricht. Dit volgt met name uit document 19, waarin [naam 1] en [naam 2] van The Hague Peace Project (HPP) bevestigen dat eiser [functie] is van [organisatie 1] en dat eiser het initiatief heeft genomen om [organisatie 2] op te richten. Zij verklaren eiser sinds 2016 te kennen en dat hij sinds die tijd een reguliere gast, deelnemer en vrijwilliger is geweest bij diverse projecten van HPP, met daarin altijd een focus op de Batwa-gemeenschap van het Grote Merengebied in Centraal Afrika. Een groot deel van de bijlagen waarnaar zij verwijzen bevestigen deze verklaring. Hiertoe verwijst de rechtbank met name naar documenten 23 tot en met 30 en 35. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat eiser actief betrokken is bij [organisatie 1] en [organisatie 2] sinds 2015. Meerdere zeer relevante en bij verweerder bekende organisaties en instanties, zoals de [naam 20] , de Europese Commissie, UNESCO en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn bij deze activiteiten betrokken geweest en hebben ook contact gehad met eiser. De rechtbank stelt vast, dat dit op zich in het bestreden besluit ook niet wordt betwist door verweerder. Verweerder stelt zich echter ten aanzien van meerdere stukken op het standpunt dat niet duidelijk is wat de precieze rol van eiser was bij bepaalde bijeenkomsten en conferenties (document 21, 22, 23, 29, 30), dat niet duidelijk zou zijn wat als resultaat uit bijvoorbeeld een fondsenwerving is gekomen (document 29, maar ook document 24, 25, 30), of wat de inhoud van een bepaald gesprek is geweest (document 26). De rechtbank ziet niet in waarom het antwoord op deze zeer specifieke vragen van verweerder nog nodig zou zijn voor de beantwoording van de vraag of het geloofwaardig is dat eiser nog steeds actief betrokken is bij [organisatie 1] en [organisatie 2] . Verweerder betwist immers niet dat de gestelde activiteiten en bijdragen van eiser zijn bevestigd door deze instanties. Het standpunt van verweerder dat het bevreemdt dat eiser zijn verklaringen zelf nauwelijks met bewijsstukken onderbouwt, maar dat de overgelegde documenten hoofdzakelijk afkomstig zijn van HPP volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze documenten, afkomstig van een bestaande en in de ogen van de rechtbank relevante organisatie, ook van andere organisaties dan wel van eiser zelf afkomstig zouden moeten zijn en niet alleen van een enkele organisatie. Het standpunt van verweerder dat uit een adressering aan het algemene e-mailadres van [organisatie 2] niet kan volgen dat de uitnodiging specifiek gericht is aan de [functie] van [organisatie 2] en dus aan eiser (document 27), volgt de rechtbank evenmin. Eiser heeft hiertoe terecht aangevoerd dat onduidelijk is waarom verweerder van belang acht dat de uitnodiging aan het officiële mailadres van [organisatie 2] is verzonden en niet aan het persoonlijke mailadres, nu eiser [functie] hiervan is en dus toegang heeft tot dit mailadres. 7.3.2 Uit de documenten 20, 21 en 22 volgt weliswaar niet specifiek dat eiser bij deze bijeenkomsten actief betrokken is geweest, maar dit neemt niet weg dat de hiervoor genoemde documenten dit wel aannemelijk maken. Verweerder had al deze documenten in samenhang moeten bezien. Verweerder heeft dit nagelaten door elk document apart te beoordelen en niet alle documenten in samenhang te bezien. Ten aanzien van de verklaringen (documenten 31, 32 en 33) is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze in samenhang bezien met de overige documenten tot het oordeel moeten leiden dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij [functie] is van [organisatie 1] , van [organisatie 2] en nog steeds actief bij deze organisaties betrokken is. 7.3.3 De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet aan eiser had mogen tegenwerpen dat de Facebookpagina’s en websites van [organisatie 1] en [organisatie 2] niet goed zijn bijgehouden en dat dit zou bijdragen aan de ongeloofwaardigheid van eisers activiteiten als mensenrechtenactivist. Eiser heeft hier naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke verklaring voor gegeven, namelijk dat ook op een andere manier werd gecommuniceerd. Bovendien lijkt verweerder aan deze constatering te veel gewicht te hangen en heeft verweerder dit ten onrechte niet in samenhang met de overige overgelegde documenten bezien. 7.3.4 Voorts is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd wat het (relevante) verschil is tussen de ondersteuning van de belangenbehartiging van de Twa-gemeenschap en activiteiten ter belangenbehartiging van de Twa-gemeenschap. Verweerder heeft dit niet nader gemotiveerd waardoor de rechtbank niet inziet wat met dit standpunt wordt bedoeld. 7.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde activiteiten van eiser voor [organisatie 1] na 2015 en eisers oprichting van [organisatie 2] ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de overgelegde documenten en deze onvoldoende in samenhang bezien. Deze beroepsgrond slaagt daarom. Beroepsgrond 2: In Rwanda is sprake van een verslechterde politieke en mensenrechtensituatie en beroepsgrond 3: Eisers vrees om in Rwanda vervolgd te worden vanwege zijn politieke overtuiging en etniciteit Overgelegde documenten 8. Eiser heeft bij de onderhavige aanvraag van 19 juli 2019 de volgende achttien documenten overgelegd om aannemelijk te maken dat in Rwanda sprake is van een verslechterde politieke en mensenrechtensituatie (de rechtbank volgt ook hier de nummering uit het bestreden besluit en de beroepsgronden): 1. Verklaring van [naam 7] , van 12 maart 2018; 2. Verklaring van [naam 8] , onder meer [functie] aan de Brown University en de [functie] en [functie] van International Organization for Self-Determination and Equality (IOSDE), van 15 maart 2018; 3. Verklaring van [naam 9] , onder meer [functie] , van 24 april 2019; 4. Verklaring van [naam 10] , [functie] bij Institute for Anthropological Research in Africa (IARA), KU Leuven, van 8 mei 2019; 5. Verklaring van [naam 11] , onder meer [functie] en [functie] , van 12 mei 2019; 6. Verklaring van [naam 12] , [functie] aan het International Institute of Social Studies (ISS), van 7 juni 2019; 7. Verklaring van [naam 13] , [functie] van Minority Rights Group International, van 10 juni 2019; 8. Verklaring van [naam 14] , [functie] bij LDLG, van 20 juni 2019; 9. Verklaring van [naam 15] , [functie] in Rwanda, van 25 juni 2019; 10. Verklaring van [naam 16] , [functie] , van 2 augustus 2019; 11. Verklaring van [naam 17] , [functie] en directeur van Parti Social Imberakuri, van 10 februari 2018; 12. Artikel ‘Kagama’s invisible eye everywhere…’, van 8 april 2019; 13. Artikel ‘Batwa: Exclusion from genocide Commemorations’, van 15 april 2019; 14. Artikel Guardian ‘Rwanda Khashoggi; who killed the exifed spy chief’, van 15 januari 2019; 15. US Department of State, Country Report on Human Rights Practices 2018-Rwanda, section 5; 16. Artikel ‘Batwa: The perpetual victims of tribal conflict in Rwanda’, van november 2018; 17. Artikel ‘Batwa: Recent Attacks Wake Memories of Ethnic Conflict’, van 16 juli 2018; 18. Rapport Refworld ‘World Directory of Minorities and Indigenoud Peoples – Rwanda’, van januari 2018. Eerdere uitspraken van deze rechtbank van 26 september 2019 en 21 juli 2020 9. Omdat partijen het inhoudelijk niet eens zijn over de betekenis van de eerdere uitspraken in de onderhavige asielprocedure ten aanzien van de hiervoor onder 8. genoemde documenten, acht de rechtbank allereerst van belang vast te stellen wat de rechtbanken daarin hebben geoordeeld. Op basis daarvan zal de rechtbank ingaan op de beroepsgronden van eiser. 9.1 Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 26 september 2019 over de documenten 1 tot en met 11 het volgende geoordeeld: “4.2 De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat ten aanzien van de verklaringen van derden (stukken 1. tot en met 11., vermeld onder 1.6) niet valt in te zien dat deze niet eerder konden worden opgevraagd en ingebracht. Deze stukken hadden daarom eerder opgevraagd en ingebracht moeten worden. Dit betekent niet dat deze stukken reeds hierom niet voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen, zoals verweerder naar de rechtbank begrijpt ook heeft betoogd ter zitting. Wel mag verweerder deze omstandigheid betrekken bij de beoordeling of sprake is van nieuwe relevante elementen en bevindingen. Voor zover verweerder zich ten aanzien van de stukken 12. t/m 18. vermeld onder 1.6 ook betoogt dat deze eerder ingebracht hadden kunnen worden, gaat dat betoog niet op omdat het bij deze stukken om nieuwe informatie van na de eerdere afwijzende besluiten gaat. 4.3 Ten aanzien van de vraag of de stukken 1. tot en met 18. kunnen afdoen aan de eerdere afwijzende besluiten overweegt de rechtbank voorts als volgt. 4.3.1 De stukken 1. tot en met 11. betreffen een aanzienlijk aantal verklaringen van verschillende (door verweerder erkende) deskundigen die, naar de rechtbank begrijpt, geen relatie met eiser hebben en in die zin als objectief kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop dient grote waarde gehecht te worden aan deze verklaringen. Verweerder heeft dit miskend in zijn besluitvorming. Daar komt bij dat deze derden bij het opstellen van hun bevindingen de individuele feiten en omstandigheden, zoals de Twa achtergrond van eiser en zijn individuele (politieke) activiteiten (voor [organisatie 1] , waarvan hij ook [functie] is) in zowel zijn land van herkomst als daarbuiten, ná zijn vertrek uit Rwanda (onder meer op het internationale platvorm), hebben meegewogen. Zij hebben deze individuele feiten en omstandigheden afgezet tegen de bij hen bekende algemene situatie in Rwanda en stellen op grond daarvan dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft van de zijde van de autoriteiten. De rechtbank acht voorts van belang dat de individuele feiten en omstandigheden die door hen in aanmerking zijn genomen, door verweerder geloofwaardig zijn geacht, hetgeen verweerder ook heeft beaamd ter zitting. Het voorgaande in samenhang bezien brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de stukken 1. tot en met 11., niet met de door verweerder gegeven motivering heeft kunnen aanmerken als stukken die niet kunnen afdoen aan de eerdere afwijzende besluiten. Op voorhand kan namelijk niet geconcludeerd worden dat deze stukken niet kunnen leiden tot de conclusie dat eiser (thans) bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Daartoe overweegt de rechtbank nog dat de omstandigheid dat met deze verklaringen niet concreet is geworden dat er thans vervolgingshandelingen zijn verricht ten aanzien van eiser (zoals verweerder stelt ter zitting) niet betekent dat eiser met deze verklaringen van derden in samenhang bezien met de geloofwaardig geachte feiten van het geval, niet aannemelijk kan maken dat hij (thans) bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade.” 9.2 Ten aanzien van de documenten 12 tot en met 18 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het volgende geoordeeld: “3.1 De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat verweerder de stukken 11. tot en met 18., vermeld onder 1.6, niet heeft betrokken bij de totstandkoming van het voornemen en het bestreden besluit en dat verweerder eisers verzoek om uitstel niet gemotiveerd heeft afgewezen in het bestreden besluit. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder geconstateerd dat de voornoemde stukken niet zijn meegewogen en heeft na het kort screenen van de stukken 12. tot en met 18. ter zitting daaromtrent het inhoudelijke standpunt ingenomen dat het algemene informatie betreft en dat deze stukken reeds hierom niet kunnen afdoen aan het eerdere standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van Rwandese autoriteiten staat en dus bij terugkeer voor vervolging te vrezen heeft. Ook ten aanzien van het stuk 11. heeft verweerder ter zitting eenzelfde standpunt ingenomen. In zoverre heeft verweerder – naar de rechtbank begrijpt – erkend dat sprake is van een zorgvuldigheids- en/of motiveringsgebrek. (…)” 9.3 Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft vervolgens over de documenten 1 tot en met 11 op 21 juli 2020 het volgende geoordeeld: “4.1. De rechtbank leest deze uitspraak zo dat is geoordeeld dat de door eiser overgelegde stukken verklaringen van deskundigen betreffen en dat deze stukken geïndividualiseerd zijn op de situatie van eiser. In de uitspraak is immers vermeld dat de deskundigen bij het opstellen van hun bevindingen de individuele feiten en omstandigheden van eiser hebben meegewogen en dat zij deze hebben afgezet tegen de bij hen bekende algemene situatie in Rwanda. Op grond daarvan stelt de rechtbank vast dat volgens de deskundigen eiser bij terugkeer te vrezen heeft van de zijde van de autoriteiten. 4.2. Dat betekent dat verweerder met het bestreden besluit geen beoordeling heeft gemaakt die in overeenstemming is met deze uitspraak. Volgens verweerder is namelijk geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden, omdat de inhoud van de stukken alleen ziet op de algemene situatie in Rwanda en niet nader geïndividualiseerd is tot de persoonlijke situatie van eiser. Maar dat de stukken niet nader geïndividualiseerd zouden zijn tot eisers persoonlijke situatie is onjuist, omdat dat al met de voorgenoemde uitspraak in rechte vast staat. 4.3. Het gevolg hiervan is dat verweerder ten onrechte zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan zijn herhaalde asielaanvraag. Verweerder had de herhaalde aanvraag van eiser namelijk inhoudelijk moeten beoordelen, omdat eiser die met nieuwe feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.” 10. De rechtbank gaat op basis van de overwegingen in deze uitspraken uit van het volgende. Vast staat dat de documenten 1 tot en met 11 door deskundigen zijn opgesteld. Ook staat vast dat deze deskundigen eisers Twa-achtergrond en zijn activiteiten voor [organisatie 1] , ook die van na zijn vertrek uit Rwanda, in hun verklaringen hebben meegewogen. 10.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet alsnog in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat de personen die de verklaringen 1 tot en met 11 hebben opgesteld niet objectief zijn, dan wel niet deskundig. Nu in rechte vaststaat dat het deskundigen betreft, kan verweerder daar geen vraagtekens meer bij plaatsen. Het standpunt van verweerder dat uit de zienswijze volgt dat die verklaringen zijn ingebracht door personen die eiser kennen vanwege de activiteiten voor [organisatie 1] , waardoor het eerdere oordeel van de rechtbank dat de deskundigen geen relatie hebben met eiser niet meer kan opgaan, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft daartoe terecht aangevoerd dat deze deskundigen eiser kennen vanwege zijn werkzaamheden en aldus sprake is van een beroepsmatige en geen persoonlijke relatie. Het feit dat deze deskundigen dergelijke verklaringen over eiser kunnen opstellen, kan naar het oordeel van de rechtbank juist de stelling van eiser dat hij een prominent mensenrechtenactivist is, bevestigen. Verweerder kan met deze tegenwerping niet de verklaringen 1 tot en met 11 terzijde stellen. Standpunt eiser 11. Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder onvoldoende op de hoogte is van de aard van het ‘nieuwe beleid’ van de Rwandese regering. Het beleid van de Rwandese regering bestraft ‘divisionisme’. Hiertoe verwijst eiser naar een aantal bronnen die ingaan op het anti-divisionistische beleid in Rwanda op dit moment, een aantal jaren geleden en op de vervolging van activisten die door de Rwandese regering als opponenten worden gezien. Anti-divisionistisch beleid wordt door de Rwandese overheid gebruikt om het recht van vrijheid van meningsuiting in te perken. De beschuldiging van divisionisme en ‘genocide-ideologie’ wordt in brede context gebruikt om elk standpunt dat tegen de officiële positie van de regering ingaat, te bestraffen. Organisaties die zich inzetten voor onderdrukte etnische groepen in Rwanda worden van divisionisme beschuldigd. Bovendien worden overtredingen zwaar bestraft en worden politieke opponenten vermoord of gemarteld in detentiecentra. Verder worden organisaties die opkomen voor de rechten van etnische minderheden in Rwanda, zoals [organisatie 1] , gedwongen hun naam te wijzigen omdat zij anders geen steun meer ontvangen van de overheid. Dit volgt uit een bron van Minority Rights die verweerder zelf heeft geciteerd in het voornemen. Het wordt eiser zodoende ten onrechte tegengeworpen dat hij het bestaan van deze dwang ten aanzien van de naamswijziging van zijn eigen organisatie, van [#] in [organisatie 1] , onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, nu verschillende bronnen uitwijzen dat de Rwandese autoriteiten al langere tijd dwang toepassen om organisaties ertoe te bewegen hun naam te wijzigen, en hetzelfde repressieve beleid nog steeds van kracht is. Verweerder kan op grond van artikel 10, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn niet van eiser verwachten dat hij zijn politieke overtuigingen in Rwanda voor zich houdt en zich aanpast aan de daar heersende repressieve normen van de autoriteiten. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ook niet gemotiveerd. Het enkele feit dat eiser onder druk van de Rwandese autoriteiten de naam van zijn organisatie heeft veranderd, betekent bovendien niet dat eiser zich ook wat zijn activiteiten betreft vrijwillig aan de in Rwanda geldende normen zal aanpassen, zoals verweerder meent. Eisers activiteiten geven immers blijk van het tegenovergestelde. Tot slot berust verweerders standpunt dat van activiteiten door eiser als mensenrechtenactivist niet of nauwelijks sprake is, eveneens op een ondeugdelijke motivering. Hiertoe verwijst eiser naar hetgeen hij hiervoor naar voren heeft gebracht. Meerdere personen en organisaties hebben immers verklaard eiser te kennen als mensenrechtenactivist ter belangenbehartiging van de rechten van de Twa-gemeenschap. Reeds uit de activiteiten die eiser voor [organisatie 1] en [organisatie 2] verricht, blijkt dat eiser niet bereid is zich te conformeren aan het nieuwe beleid van de Rwandese regering, een beleid dat de afgelopen jaren repressiever is geworden. Bronnen wijzen daarnaast uit dat eiser gegronde vrees heeft om vervolgd te worden in Rwanda. Gelet hierop heeft eiser voldoende gemotiveerd dat hij, gelet op het anti-divisionistische beleid van de Rwandese regering, bij terugkeer in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. 11.1 Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte alleen ingaat op de documenten 1 tot en met 11 voor zover die de individuele situatie van eiser betreffen. Verweerder miskent echter dat deze documenten ook het verslechterde politieke klimaat en de mensenrechtensituatie in Rwanda beschrijven. Dit is relevant voor eiser, die onderdeel uitmaakt van de Twa-minderheid en bovendien als mensenrechtenactivist actief is. In het bestreden besluit stelt verweerder zich niettemin op het standpunt dat ‘het standpunt van betrokkene dat het politieke klimaat in Rwanda is verslechterd sinds de vorige aanvraag van betrokkene niet [wordt] gevolgd’. Dit standpunt is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd, nu uit verschillende deskundigenverklaringen juist blijkt dat van het tegenovergestelde sprake is. Dit blijkt onder meer uit de stukken van [naam 8] (document 2), [naam 11] (document 5), [naam 12] (document 6) en [naam 13] (document 7): Document 2 en 5: [naam 8] en Van [naam 11] In het bestreden besluit betwist verweerder de algemene situatieschets van [naam 8] en [naam 11] niet en gaat enkel in op de incidenten waar [naam 8] en [naam 11] naar verwijzen die betrekking hebben op eiser persoonlijk. Ten aanzien van [naam 8] overweegt verweerder bovendien: ‘zelfs wanneer wordt aangenomen dat de mensenrechtensituatie verslechterd zou zijn, doet dat nog niet af aan het besluit van 17 september 2015’. In het besluit van 17 september 2015 is echter enkel vastgesteld dat eiser op dat moment onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden had aangevoerd voor een inhoudelijke beoordeling van zijn opvolgende asielaanvraag. Bovendien is door de rechtbank op 26 september 2019 reeds vastgesteld, en op 21 juli 2020 bevestigd, dat uit onder andere de verklaring van [naam 8] nieuwe feiten blijken die nopen tot een inhoudelijke beoordeling. Bovendien is een verslechtering van de mensenrechtensituatie in Rwanda relevant voor de situatie van eiser, ten aanzien van wie in rechte vaststaat dat hij onderdeel uitmaakt van de Batwa-gemeenschap en die voorvechter is van mensenrechten in Rwanda voor de [organisatie 1] . Document 7: [naam 13] : Uit de brief van [naam 13] blijkt eveneens dat de situatie van de Twa in Rwanda verslechtert. Twa-leden kunnen zich niet actief inzetten voor hun gemeenschap in Rwanda onder hun officiële naam. Dat is zorgelijk. In het voornemen wordt niet betwist dat (1) de Twa-gemeenschap wordt gediscrimineerd en gemarginaliseerd; (2) activisten een verhoogd risico op vervolging lopen, en dan met name (3) activisten die zich bedienen van verwijzingen naar de Twa-gemeenschap. Nu verweerder dit onderdeel van de deskundigenverklaring niet inhoudelijk betwist, kan niet langer worden vastgehouden aan het standpunt dat de mensenrechtensituatie in Rwanda niet is verslechterd. Document 6: [naam 12] : Ten aanzien van de verklaring van [naam 12] overweegt verweerder dat de Twa in Rwanda te maken krijgen met achterstelling. Verweerder erkent voorts ten aanzien van artikel 1 CEDAW ‘dat de behandeling van de Twa in Rwanda zou kunnen vallen onder deze definitie van rassendiscriminatie’. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat dit nog niet hetzelfde is als vervolging vanwege etniciteit, en dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verplichte naamswijziging van de Twa kan worden gezien als etnische vervolging en dat de oude naam van de bevolkingsgroep ‘indigenous’ in zich had, en er dus geen specifieke verwijzing was naar de Twa-gemeenschap. Of de behandeling van de Twa-gemeenschap in Rwanda kan vallen o

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...