Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2021:13174

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2021-11-30
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 14/23125
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
96.705 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Sri Lanka – 1(F) Vluchtelingenverdrag – terugkeerbesluit is vertrekplicht en verwijderplicht – Terugkeerrichtlijn bepaalt dat verwijdering moet worden uitgesteld als verwijdering in strijd is met beginsel van non-refoulement maar bepaalt niet dat in dat geval een verblijfsrecht moet worden toegestaan – Terugkeerrichtlijn bepaalt niet hoe lang de situatie kan voortduren dat eiser niet kan worden verwijderd maar tegelijkertijd geen verblijf hoeft te worden toegestaan - FMS/ M.A. en T./ TQ/ Westerwaldkreis – inreisverbod 10 jaar – actualiteitstoets en evenredigheidstoets- 8 EVRM- beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: AWB 14/23125 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2021 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1977 en van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), gelezen in verbinding met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, zoals die bepalingen luidden voor de Wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) op 20 juli 2015. Verder heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Eiser heeft op 10 oktober 2014 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 24 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Pathmamanoharan. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.S. Poelman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. De rechtbank heeft partijen bij brief van 26 maart 2015 bericht dat zij aanleiding ziet om met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft besloten om de zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin mede zullen worden betrokken de antwoorden op de vragen die de Afdeling heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) op 2 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1148). Bij arrest van 14 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:2020, heeft het Hof de prejudiciële vragen van de Afdeling beantwoord. De Afdeling heeft vervolgens in een van de zaken waarin zij vragen had gesteld op 24 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1468) uitspraak gedaan. Op 16 februari 2021 heeft de rechtbank vragen gesteld aan verweerder. Hierop heeft verweerder op 17 maart 2021 schriftelijk gereageerd. Eiser is vervolgens op 29 maart 2020 door verweerder gehoord. Verweerder heeft op 1 april 2021 een besluit genomen dat verweerder als aanvullend besluit kwalificeert. Eiser heeft hierop op bij brief van 29 april 2021 gereageerd. Het onderzoek is voortgezet op de zitting van 23 september 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen De inleiding 1. Eiser heeft op 8 april 2011 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat een claimverzoek van verweerder in het kader van de Dublinprocedure door Frankrijk was afgewezen, is eiser op 31 augustus 2011 opgenomen in de nationale asielprocedure. 2. Eiser is op 10 oktober 2011 voor de eerste keer gehoord over de reden van zijn asielaanvraag. Hij heeft toen, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij gedwongen was om iets voor de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) te doen. Eiser heeft ervoor gekozen om met zijn vrachtwagen spullen voor de LTTE te vervoeren. Op 14 mei 2006 werd eiser onderweg bij een controlepost van de regering gecontroleerd. Er werden een batterij, een walkietalkie, en onderdeel van een walkietalkie en onderdelen van een jeep aangetroffen. Daarop zijn eisers identiteitskaart en rijbewijs ingenomen en is hij gearresteerd. Vervolgens is eiser meegenomen naar een klein legerkamp. Daar werd hij mishandeld. Hij werd ervan verdacht lid van de LTTE te zijn. Op 24 augustus 2008 zou eiser naar een groter kamp worden gebracht. Onderweg werd het transport door de LTTE aangevallen. De militairen van het regeringsleger gingen ervandoor. Hierdoor zag eiser kans te ontsnappen en is hij huiswaarts gekeerd. Omdat het leger steeds dichterbij kwam, moesten eiser en zijn vrouw keer op keer verhuizen. In de plaats Wadduwal zijn zij omsingeld door het leger. Iedereen in die plaats heeft zich op 17 mei 2009 overgegeven. Ze werden naar een kamp van de UNHCR gebracht. Eiser hoorde van zijn oom dat de inlichtingendienst naar hem op zoek was en naar hem had gevraagd. Hierop heeft eiser met hulp van een moslimman op 29 juli 2009 uit het kamp weten te ontsnappen. Hij is naar de woning van die man gebracht. De vrouw van eiser verbleef al bij hen. Zij was diezelfde ochtend vanwege ademhalingsproblemen naar het ziekenhuis gebracht. De oom van eiser heeft geld betaald aan de verpleegkundige zodat zij daar weg kon komen. Eiser en zijn vrouw moesten binnen blijven en zich als moslims gedragen. Op een gegeven moment hoorde eiser van de moeder van de moslimman dat haar zoon was gearresteerd en dat eiser en zijn vrouw niet langer konden blijven. Op 23 februari 2011 zijn zij naar een ander huis gebracht. De oom van eiser heeft een reisagent geregeld. Die heeft eiser en zijn vrouw op 1 maart 2011 meegenomen naar het vliegveld in Colombo. Bij een checkpoint heeft de reisagent valse identiteitskaarten laten zien aan het leger. Vlak bij het vliegveld zijn eiser en zijn vrouw overgestapt in een andere minibus en werden zij in het bezit gesteld van twee paspoorten. Hierop hebben zij per vliegtuig hun land van herkomst verlaten. 3. Vervolgens is verweerder erachter gekomen dat de Britse autoriteiten een visum aan de vrouw van eiser hebben verstrekt dat geldig was van 15 september 2010 tot 12 januari 2012. Hierop zijn eiser en zijn vrouw aanvullend gehoord. Tijdens het aanvullend gehoor van 29 maart 2012 verklaart eiser dat hij eerder niet de waarheid heeft gesproken. Hij is op 23 augustus 1999 lid geworden van de LTTE. Die hebben hem geholpen om naar het buitenland te gaan. Ze hebben hem naar het buitenland gestuurd om geld in te zamelen. Zijn vrouw is op 5 oktober 2010 naar Londen gegaan en later vandaaruit naar Nederland gereisd. Eiser zelf is in 2003 naar Frankrijk gegaan. Hij is van daaruit naar Londen, het Verenigd Koninkrijk, gegaan. Daar heeft hij voor de LTTE gecollecteerd. Hij ging langs huizen en winkels van Tamils om geld op te halen. Eiser weet zeker dat het gecollecteerde geld daarna naar Nederland ging. Eiser weet niet precies waarvoor het geld gebruikt werd. Soms was het om eten te geven aan de rebellen, soms voor weeskinderen en soms om wapens van te kopen om te vechten tegen het leger van Sri Lanka. Verder moest eiser studenten verzorgen die door de LTTE naar het Verenigd Koninkrijk waren gestuurd om te studeren. Eiser moest ook kijken of zij zich aan de regels van de LTTE hielden. Ze mochten bijvoorbeeld niet roken en drinken. Eiser heeft vanaf 2004 tot 2011 illegaal in het Verenigd Koninkrijk verbleven. Vervolgens is hij vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland gereisd. 4. Vervolgens zijn eiser en zijn vrouw op 12 juni 2012 ieder apart gehoord in het kader van mogelijke tegenwerping van het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft bij die gelegenheid andermaal verklaard dat hij op 23 augustus 1999 lid is geworden van de LTTE. Na een fysieke trainingsperiode werd hem gevraagd te gaan werken bij de afdeling Financiën, een aparte tak binnen de beweging. Volgens eiser was hij belangrijk binnen de afdeling. Eiser werd naar het district Vavuniya gestuurd, dat onder controle stond van het regeringsleger. Daar zamelde hij geld in voor de LTTE door langs rijke winkeleigenaren te gaan. Ergens rond 2001 werden eiser en zijn leidinggevende door soldaten van het leger omsingeld. Zijn verantwoordelijke werd doodgeschoten, maar eiser wist via een bioscoop te ontsnappen. Omdat de meeste mensen hem kennen en de inlichtingendienst op zoek was naar mensen van de LTTE, werd hem door de LTTE gezegd dat het beter voor hem was om naar het buitenland te vertrekken. Eiser is eerst naar Thailand gegaan. Vandaar uit is hij op een vals Indiaas en Frans paspoort via Laos naar Frankrijk gevlogen. Van Frankrijk is hij doorgereisd naar het Verenigd Koninkrijk. Hij was daar illegaal, maar kon zich handhaven door op naam van iemand anders ‘s nachts in een bakkerij te werken. Aan het eind van de middag en in de avonduren collecteerde hij voor de LTTE. Dat deed hij iedere dag. Hij ging in zijn eentje langs bij Tamils die in de gebieden Eastham, Ilford en Wembley wonen. Hij legde uit waarvoor de LTTE streed. Niemand weigerde om geld te geven. Het ging dan gemiddeld om 30 pond per gezin per maand en voor winkeliers kon dat oplopen tot 500 pond per maand of 2000 pond per kwartaal. De gelden werden zogenaamd opgehaald in naam van de organisatie Venpura, een liefdadigheidsorganisatie ook bekend onder de naam “Witte Duiven”, maar waren in feite bedoeld voor de LTTE. Hij heeft niemand onder druk gezet om geld te geven. Het verzamelde geld gaf hij aan meneer Amuthan. Eiser weet dat verschillende landen de LTTE als een terroristische organisatie bestempelen, maar hij vindt dat onterecht. Volgens hem voerde de LTTE een gerechtvaardigde strijd en zijn er door asielzoekers en overlopers leugens verteld over de beweging om maar asiel krijgen of in een goed blaadje te komen staan. Naar zijn weten heeft de LTTE geen mensenrechtenschendingen en misdrijven begaan, noch tijdens de strijd noch tijdens de fondsenwerving in binnen- en buitenland. In maart 2011 is hij naar Nederland gekomen met zijn vrouw, die hij in het Verenigd Koninkrijk heeft leren kennen toen ze daar studeerde. De reden daarvoor was dat het Verenigd Koninkrijk mensen begon terug te sturen naar Sri Lanka. Eiser vreest bij terugkeer te worden opgepakt. De oud-leden van de LTTE staan op de luchthaven en fungeren daar als spionnen. Tamils die terugkeren worden, aldus eiser, meegenomen en ondervraagd. Als hij door oud-leden wordt aangewezen betekent dat het einde. Daarbij is zijn jongere broer in 2009 in Sri Lanka opgepakt en spoorloos verdwenen, terwijl men eigenlijk op zoek was naar hem (eiser). Hij wil bij zijn vrouw, met wie hij in juni 2011 in Nederland is getrouwd,) en kind in Nederland verblijven. Het besluit van 18 maart 2013 (voornemen is van 21 september 2012) 5. Bij besluit van 18 maart 2013 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn lidmaatschap en activiteiten voor de LTTE, zoals afgelegd tijdens het aanvullend gehoor, geloofwaardig. Verweerder wijst erop dat nadat de LTTE al eerder door de Verenigde Staten en India op de lijst van verboden terroristische organisaties was geplaats, de Europese Unie en Canada in mei en juni 2006 volgden. Op 29 juni 2007 zijn de aan de plaatsing ten grondslag liggende stukken door de Raad van de Europese Unie verzonden aan de LTTE. Vanaf dat moment zijn met het oog op de strijd tegen het terrorisme de in Verordening (EG) nr. 2580/2001 van 27 december 2001 genoemde handelingen, te weten het direct of indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking stellen aan de LTTE, verboden. Eiser wordt in verband gebracht met het financieren van een verboden organisatie. Dit misdrijf wordt aangemerkt als een absoluut niet-politiek misdrijf. De reden daarvoor is dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) op 19 oktober 1999 Resolutie 1269 en op 28 september 2001 Resolutie 1373 heeft aangenomen, waarin is bepaald dat deelnemers aan en/of ondersteuners van terroristische activiteiten moeten worden uitgesloten van de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag en dat de Veiligheidsraad alle daden van terrorisme veroordeelt, ongeacht het motief en ongeacht waar en door wie deze daden zijn gepleegd. Verweerder is daarom van mening dat de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht als een absoluut niet-politiek misdrijf moet worden gezien en dat deze gedragingen moeten worden gezien als een misdrijf in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. 6. Verweerder heeft voorts in zijn besluit van 18 maart 2013 het standpunt ingenomen dat het financieren van een verboden organisatie ook indruist tegen de doelstellingen en beginselen van de VN. Bovendien is deze gedraging in strijd met Resolutie 1373. Derhalve wordt geconcludeerd dat sprake is van een handeling in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag. 7. Volgens verweerder is sprake van ‘knowing participation’, nu uit onderzoek naar voren komt dat hij het financieren van een verboden organisatie zelf heeft verricht door maandelijks per Tamil huishouden en bij winkeleigenaren in de Londense wijken Eastham, Ilford en Wembley geld op te halen. In de optiek van verweerder betreft het begaan van deze gedraging in de periode vanaf 29 juni 2007 tot circa 2020 een misdrijf van dusdanig ernstig aard, dat het ook voor eiser evident moet zijn geweest dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Daarbij heeft verweerder betrokken dat uit de verklaringen van eiser naar voren komt dat hij wist dat de LTTE een verboden organisatie is. Hij heeft verklaard dat verschillende landen de LTTE hebben verboden als terroristische beweging en dat hij niet tegen de politie zou zeggen dat hij geld collecteerde voor de LTTE, omdat hij dan in de gevangenis terecht zou komen. 8. Naar de mening van verweerder is eveneens sprake van ‘personal participation’, omdat is gebleken dat eiser een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) persoonlijk heeft gepleegd. Eiser heeft niets aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat er ten aanzien van hem omstandigheden bestaan op grond waarvan dit niet aan hem kan worden toegerekend, aldus verweerder. Daarmee wordt het als vaststaand beschouwd dat eiser persoonlijk verantwoordelijk is voor het begaan van dit absoluut niet-politieke misdrijf. Eiser wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde en hij komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 9. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op een behandeling of bestraffing die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan hij vanwege zijn betrokkenheid bij de LTTE in de bijzondere negatieve aandacht van de autoriteiten in Sri Lanka staat. Bij het incident in 2001 is hij ontkomen. Verder is hij nooit opgepakt vanwege betrokkenheid bij de LTTE. Gesteld noch gebleken is dat hij een strafblad heeft of dat er ten aanzien van hem een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat hij al vele jaren weg is uit Sri Lanka en dat hij zijn vrees voor een eventuele herkenning niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd in hoeverre het voorval dat zijn zusje in 2009 in Sri Lanka heeft meegemaakt en waarbij haar gevraagd is waar haar boer is, tegen hem gericht zou zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat zij drie broers heeft en dat gesteld noch gebleken is dat zijn familie eerder vanwege zijn activiteiten problemen heeft ondervonden van de zijde van de overheid of anderen. 10. Aan eiser wordt gelet op het bepaalde in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Verweerder ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het inreisverbod betekent ook geen schending van artikel 8 van het EVRM. Er is weliswaar sprake van gezinsleven tussen eiser, zijn partner en zijn dochter, maar geen van de gezinsleden heeft rechtmatig verblijf en zij zullen Nederland moeten verlaten. De uitspraak van de rechtbank van 24 januari 2014 11. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 maart 2013. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, heeft dit beroep bij uitspraak van 23 januari 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2014:310, AWB 13/11521 en AWB 13/11522) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. 12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het financieren van een verboden organisatie, zoals de LTTE, een gedraging is die valt aan te merken als een ernstig, niet politiek misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag alsook dat de gedraging in strijd is met de doelstellingen en beginselen van de VN. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser gedurende een lange periode veel geld heeft ingezameld voor de LTTE. Nu eiser niet zozeer bestrijdt dat het financieren van een verboden organisatie een gedragingen is zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en hij ook niet betwist dat het door hem ingezamelde geld deels is besteed aan de gewapende strijd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het financieren van de LTTE een gedraging is die valt aan te merken als voornoemd. De enkele stelling van eiser dat hij naar eer en geweten geld inzamelde voor humanitair doeleinden, wat daar ook van zij, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. 13. In het kader van ‘knowing participation’ oordeelt de rechtbank in haar uitspraak van 24 januari 2014 dat eisers betoog dat hij niet wist, niet kon weten en ook niet behoorde te weten dat het door hem opgehaalde geld (deels) zou worden gebruikt voor de gewapende strijd, geen doel treft. Eiser heeft verscheidene verklaringen afgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij ervan op de hoogte was dat het inzamelen van geld voor de LTTE verboden was en het daarom niet zonder risico’s was. Zo heeft hij onder meer verklaard dat hij in het geval hij tijdens het collecteren zou worden opgepakt niet zou vertellen dat hij aan het collecteren was voor de LTTE. In dat geval zou hij in de gevangenis terecht komen. Om die reden zou hij aan de politie vertellen dat het geld naar de organisatie Venpura ging en dat het geld zou worden bestreed aan humanitaire hulp, terwijl hij wist dat het geld eigenlijk naar de beweging ging. Op pagina 6 van het aanvullend gehoor heeft eiser – samengevat – verklaard dat het geld naar Sri Lanka werd gestuurd, maar dat de precieze bestemming niet bekend was. Eiser verklaart dat ze het geld soms kunnen gebruiken voor eten, soms voor weeskinderen en soms voor het kopen van wapens om te vechten tegen het leger van Sri Lanka. Gelet op deze verklaringen van eiser treft zijn betoog dat hij niet wist dat het door hem opgehaalde geld (deels) zou worden gebruikt voor de gewapende strijd geen doel. 14. In het kader van ‘personal participation’ oordeelt de rechtbank dat het betoog van eiser dat hij gedwongen is om geld in te zamelen en dat hij heeft getracht te stoppen, niet slaagt. De rechtbank stelt voorop dat eiser heeft verklaard dat hij persoonlijk (veel) geld heeft ingezameld voor de LTTE. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van dwang, dan wel van pogingen die hij heeft ondernomen zich aan zijn werkzaamheden voor de LTTE te onttrekken. De enkele stelling van eiser in het beroepschrift dat hij is gedwongen en dat hij heeft getracht te stoppen, maken dat oordeel niet anders, omdat eiser niet heeft gesteld, noch anderszins is gebleken uit welke verklaringen dat dan kan worden afgeleid. Verweerder heeft zich daarom terecht en op juiste gronden op het standpunt gesteld dat eiser persoonlijk een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd en dat de door eiser gestelde dwang niet geloofwaardig is. 15. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat verweerder niet alle door eiser naar voren gebrachte risicofactoren bij de beoordeling of sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM heeft betrokken. 16. Eiser heeft aangevoerd dat de autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van het feit dat hij actief is geweest voor de LTTE. Hij heeft in dit verband gewezen op zijn lange verblijf in het buitenland. Verder is volgens hem algemeen bekend dat de Sri Lankaanse autoriteiten gebruik maken van oud-LTTE-strijders die kennis hebben van personen die zich bij de LTTE hebben aan gesloten. Eiser heeft er voorts op gewezen dat zijn broer in 2009 in plaats van hem is gearresteerd en dat sindsdien niets meer van zijn broer is vernomen. Ook heeft eiser gewezen op zijn littekens die het gevolg zijn van een granaatinslag. Verder heeft hij gewezen op de omstandigheid dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka afkomstig is uit een land waar fondsen worden geworven, dat hij afkomstig is uit Vanni en dat hij geen identiteitspapieren heeft. Bovendien heeft hij gewezen op de omstandigheid dat hij vanwege zijn activiteiten een bekend persoon is in zowel Londen als Sri Lanka. Eiser is van mening dat verweerder die omstandigheden niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en ook niet heeft afgezet tegen de verslechterde veiligheidssituatie in Sri Lanka. 17. De rechtbank overweegt dat eiser niet enkel een vreemdeling is die naar Sri Lanka terugkeert vanuit Londen of een ander stad waar fondsen worden geworven voor de LTTE, maar zelf een fondsenwerver is. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting bevestigd dat indien de Sri Lankaanse autoriteiten bekend zou zijn dat eiser die activiteiten heeft verricht, hij dan een reëel risico zou lopen op schendingen als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de omstandigheid dat eiser een fondsenwerver was. Het standpunt van verweerder dat dit geen risicofactor is, omdat niet blijkt dat de autoriteiten in Sri Lanka hiervan op de hoogte zijn, volgt de rechtbank niet. Hoewel de enkele omstandigheid dat eiser afkomstig is uit een land waar fondsen worden geworven, alsook de enkele omstandigheid dat eiser fondsenwerver is wellicht niet de conclusie rechtvaardigen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, vormen deze omstandigheden wel een risicofactor die bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM betrokken dienen te worden tezamen met de andere risicofactoren. De vraag of de autoriteiten van Sri Lanka op de hoogte zijn van de activiteiten van eiser, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. 18. Ook het standpunt van verweerder met betrekking tot de littekens van eiser volgt de rechtbank niet in haar uitspraak van 24 januari 2014. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bij de beoordeling van de risicofactoren niet zozeer gaat om de oorzaak van de littekens, maar om de vraag of eiser bij terugkeer vanwege zijn littekens verdacht kan worden van betrokkenheid bij de LTTE. Het hebben van littekens vormt een risicofactor die bij de beoordeling betrokken dient te worden. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft meegenomen dat eiser geen identiteitspapieren heeft. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat het ontbreken van identiteitspapieren geen risicofactor oplevert omdat eiser wel in het bezit is van een geboorteakte, volgt de rechtbank niet. Het hoger beroep 19. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen voormelde rechtbankuitspraak. Eiser stelt onder meer dat hij de nationaliteit heeft van Sri Lanka en dat in het kader van de asielprocedure de gebeurtenissen in het land van herkomst worden beoordeeld. Wat er in het Verenigd Koninkrijk, in een derde land, heeft plaatsgevonden, is naar zijn mening niet relevant voor de beoordeling van zijn asielverzoek. Het referteland in dezen is Sri Lanka en niet het Verenigd Koninkrijk. Als hij zich zou beroepen op asielmotieven die zich buiten het land van herkomst zouden hebben voorgedaan, dan worden die asielmotieven buiten beschouwing gelaten. Naar de mening van eiser had verweerder daarom artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet in de asielprocedure kunnen tegenwerpen. Volgens eiser heeft Nederland wel jurisdictie om hem strafrechtelijk te vervolgen wegens gestelde deelname aan een terroristische organisatie, zoals de LTTE. Dit heeft de rechtbank miskend, aldus eiser. 20. De Afdeling heeft bij uitspraak van 19 mei 2014 (nr. 201401539/1/V1) met toepassing van artikel 91, tweed lid, van de Vw 2000 het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het thans bestreden besluit van 1 oktober 2014 21. Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank op 1 oktober 2014 opnieuw een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser. De aanvraag wordt wederom afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verder is andermaal aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. 22. Verweerder stelt zich op het standpunt – onder verwijzing naar het besluit van 18 maart 2013, de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2014 en de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2014 – dat de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag onherroepelijk is geworden en dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. De omstandigheid dat de Afdeling bij uitspraak van 2 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1148) in vier zaken prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof inzake Europese terrorismebegrippen en de al dan niet terechte plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst, doet thans niet af aan de eerdere conclusie dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. 23. Anders dan in de vorige procedure is verweerder van mening dat eiser gelet op zijn asielrelaas, gelezen in combinatie met de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) opgestelde risicofactoren, aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij, bij terugkeer in de huidige situatie een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 3 van het Antifolterverdrag verboden behandeling. Eiser komt echter vanwege de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit betekent dat in dit geval de situatie is ontstaan waarin hij niet in aanmerking komt voor toelating, maar evenmin gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid tot uitzetting naar het land van herkomst. Daarom is conform het beleid gekeken of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam (lees: tien jaar) verzet tegen de uitzetting en of het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Hieraan is niet voldaan. Eiser heeft op 8 april 2011 een asielaanvraag ingediend en bevindt zich nog niet tien jaar in de situatie waarin hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet. Bovendien is niet aannemelijk dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst niet mogelijk is Dat eiser vanwege artikel 3 van het EVRM niet terug kan naar Sri Lanka betekent niet dat hij enkel en alleen in Nederland kan verblijven. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de vraag of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. 24. Er wordt wederom een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Overwogen wordt dat eiser, ingevolge artikel 6.5a, aanhef en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. De tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is dusdanig ernstig dat het belang van bescherming van strafbare feiten en de bescherming van anderen, erg zwaar weegt. De enkele omstandigheid dat eiser zich in Nederland de afgelopen drie jaar niet schuldig heeft gemaakt aan een echt strafbaar feit doet daar, gelet op de ernst van het tegengeworpen misdrijf, niet aan af. 25. Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden om van het opleggen van een inreisverbod af te zien of om een inreisverbod voor een korte duur op te leggen. Verder concludeert verweerder dat het bepaalde in artikel 8 van het EVRM niet in de weg staat aan het opleggen van een inreisverbod. Er is wel sprake van inmenging op het recht van eerbiediging van het familie- of gezinsleven, nu eiser de mogelijkheid wordt ontnomen om zijn vrouw en minderjarige dochter, die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, voor een korte tijd in Nederland te bezoeken. Deze inmenging acht verweerder evenwel gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Dat belang dient in de optiek van verweerder zwaarder te wegen dan het belang van eiser bij een ongestoord familieleven. Verweerder heeft dit beoordeeld aan de hand van de door het EHRM in de arresten Boultif en Üner genoemde criteria. Het feit dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Sri Lanka uit te oefenen, leidt niet tot de conclusie dat het gezinsleven alleen in Nederland kan worden uitgeoefend. Van belang wordt geacht dat eiser langere tijd in het Verenigd Koninkrijk heeft verbleven. Dat hij daar niet op rechtmatige basis heeft verbleven, doet niet af aan het feit dat hij kan trachten op legale basis een vergunning te bemachtigen. 26. De stelling van eiser dat van een inreisverbod moet worden afgezien omdat hij medische behandeling behoeft vanwege zijn suikerziekte, wordt niet gevolgd. Uit het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 24 september 2014 is gebleken dat eiser een verhoogd bloedsuikergehalte heeft, een verstoord vetspectrum heeft en eerder last heeft gehad van huidproblemen. Eiser staat hiervoor onder controle bij een arts en ontvangt medicatie. Uit het advies van BMA volgt dat er geen sprake is van een terminal ziektebeeld, noch van een levensbedreigend stadium van een ziekte. Voorts leidt het staken van een behandeling binnen een afzienbare termijn niet tot een onomkeerbaar proces met de dood tot gevolg. De beroepsgronden van 29 oktober 2014 27. Eiser voert aan dat het Gerecht van Eerste Aanleg van het Hof van Justitie van de EU bij arrest van 16 oktober 2014 (ECLI:EU:T:2014:885) de beslissing van de Raad van de EU, waarbij de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst werd gehandhaafd, nietig heeft verklaard. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder dit arrest ten onrechte niet heeft afgewacht. Hij meent dat het besluit van 18 maart 2013, waarin geconcludeerd is dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is, dient te worden heroverwogen. 28. Gelet hierop is eiser tevens van mening dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. In zijn optiek kan geen sprake zijn van een terugkeerbesluit en bestond er geen aanleiding hem aan te zeggen Nederland onmiddellijk te verlaten. 28. Daarnaast meent hij dat verweerder heeft miskend dat zijn medische noodsituatie aanleiding is om af te zien van een inreisverbod. Verder komt hij in aanmerking voor verblijf met een beroep op artikel 8 van het EVRM, nu de LTTE van de terroristenlijst is gehaald. 30. Voorts herhaalt eiser zijn standpunt dat er geen enkele rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning door het Verenigd Koninkrijk bestaat, aangezien hij daar illegaal heeft verbleven. Zijn dochter en echtgenote hebben evenmin een verblijfsrecht aldaar. Naar zijn mening heeft verweerder in het besluit van 1 oktober 2014 ten onrechte niet onderbouwd waar hij en zijn gezinsleden worden geacht hun gezinsleven uit te oefenen. Verweerder dient dit nader te motiveren, omdat zijn vrouw en dochter een asielvergunning is verleend. Zijn belangen en die van zijn gezinsleden zijn onvoldoende in de besluitvorming betrokken, aldus eiser. Het verweerschrift van 21 januari 2015 31. Verweerder benadrukt dat de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in rechte vaststaat met de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2014 en de bekrachtiging daarvan door de Afdeling bij uitspraak van 19 mei 2014. Verweerder ziet geen aanleiding om naar aanleiding van het arrest van 16 oktober 2014 een ander standpunt over de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in te nemen. De reden daarvoor is allereerst dat de Raad van de EU een hogere voorziening heeft ingesteld tegen dit arrest. Dit betekent dat de beslissing van het Gerecht (de nietigverklaring) wordt opgeschort totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. In de tweede plaats blijkt uit rechtsoverweging 226 van het arrest dat de nietigverklaring van de kwalificatie van de LTTE als terroristische organisatie nadrukkelijk is gebaseerd op procedurele gronden. 32. Onverminderd het vorenstaande stelt verweerder dat gelet op berichtgeving in openbare bronnen inzake de aard en omvang van de activiteiten van de LTTE en de door deze organisatie verrichte mensenrechtenschendingen, alsmede de activiteiten die eiser voor deze organisatie heeft verricht, artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag onverkort aan hem kan worden tegengeworpen. Verweerder verwijst naar de volgende rapporten: Human Rights Watch, Funding the‘Final War’, LTTE intimidation and extortion in the Tamil Diaspora, 16 maart 2006; International Crisis Group, The Sri Lankan Diaspora After the LTTE, 23 februari 2010; Jane’s Intelligence Review, Feeding the Tiger, How Sri Lankan Insurgents fund their war; Georgetown, Journal of International affairs, Peter Chalk, The Tigers Abroad, How the LTTE Diaspora supports in Sri Lanka, 2008; en Europol. TE-SAT 2011, EU Terrorism Situation and Trend Report 2011. Eisers reactie van 2 februari 2015 op het verweerschrift 33. Eiser wijst er andermaal op dat het Gerecht heeft besloten de plaatsing op de lijst nietig te verklaren wegens procedurele gebreken. In het geval van de LTTE is de beslissing van de Raad gebaseerd op informatie van de autoriteiten van India, niet zijnde een besluit van bevoegde autoriteiten. Nu de plaatsing van de LTTE op de EU-terroristenlijst nietig is verklaard omdat dit was gebaseerd op informatie afkomstig van India, is het besluit van verweerder dat hij, eiser, heeft deelgenomen aan terroristische organisatie onvoldoende gemotiveerd. Daarbij dient te worden aangemerkt dat India nauwe banden onderhoudt met Sri Lanka. De drijfveer achter de plaatsing van de LTTE op de lijst is de Sri Lankaanse overheid. Onverwijld na het arrest van 16 oktober 2014 is Sri Lanka gaan lobbyen om de LTTE weer op de terroristenlijst te krijgen. 34. Naar de mening van eiser miskent verweerder dat de Sri Lankaanse overheid zich schuldig heeft gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen en dat de LTTE als vrijheidsstrijders moeten worden aangemerkt. De LTTE is op de terroristenlijst geplaats op het moment dat er nog een officiële staakt-het-vuren gold. Na plaatsing op de terroristenlijst is de Sri Lankaanse overheid de gewapende strijd aangegaan met de LTTE als gevolg waarvan honderdduizenden Tamilburgers zijn omgekomen. Verder acht eiser de verwijzing naar algemene bronnen onvoldoende om de LTTE als terroristische organisatie aan te merken. 35. Eiser meent dat het besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en dat hem een verblijfsvergunning moet worden verleend op grond van artikel 3 van het EVRM. Daarbij merkt hij nog op dat als in de toekomst de procedurele gebreken worden hersteld en er voldoende gemotiveerd wordt dat de LTTE als terroristische organisatie moet worden aangemerkt, het verweerder vrij staat om daarnaar te handelen en tot intrekking van de vergunning over te gaan. De beroepsgronden van 15 februari 2021 36. Naar de mening van eiser betekent een tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch dat hij een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt. Er dient een beoordeling plaats te vinden conform het arrest Z.Zh en I.O. van 1 juni 2015 en het arrest K. en H.F van 2 mei 2018. Dat is niet gebeurd en daarom komt het bestreden besluit l om die reden voor vernietiging in aanmerking. 37. Voorts voert eiser aan dat zijn gezin na zijn komst naar Nederland is uitgebreid met twee dochters. Doordat zijn echtgenote in het bezit is gesteld van een asielvergunning heeft zij zich verder kunnen ontplooien en heeft zij zelfs een eenmanszaak (visgroothandel) opgericht, terwijl hij zich heeft ontfermd over de zorg van hun dochters. Eiser geeft aan dat hij dit liever anders had gezien, maar dat hij door deze situatie genoopt was om de gebeurtenissen in het verleden en zijn rol hierin te reflecteren. 38. Eiser merkt op dat de afgelopen jaren veelvuldig rapporten naar buiten zijn gekomen over de rol van de autoriteiten en de LTTE in de gewapende strijd die is gevoerd, waarin is bericht over mensenrechtenschendingen die door beide partijen in het conflict zijn gepleegd. Eiser onderkent inmiddels dat hij tot aan zijn komst naar Nederland, dan wel tot het moment van de omverwerping van de LTTE, slechts eenzijdig de informatie van de LTTE te horen kreeg, dat hij enkel de situatie vernam vanuit het perspectief van de LTTE en dat hij niet openstond voor andersluidende opvattingen. Feiten en meningen die in tegenspraak waren met de eerder door hem gevormde mening werden aanvankelijk door hem gewantrouwd en genegeerd. Hij kijkt hier inmiddels anders tegenaan. Het vindt het van belang dat hij hierover wordt gehoord. 39. Voorts meent eiser dat in dit kader het tijdsverloop betrokken dient te worden, alsmede het feit dat hij zich in Nederland niets schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat de LTTE niet meer bestaat. Bovendien acht hij van belang dat hij de feitelijke zorg draagt over zijn minderjarige dochters, hen waarden en normen bijbrengt, en ook om die reden geen gevaar vormt voor de openbare orde. Verder volgt uit het arrest K. en H.F. dat familie- en gezinsleven dient te worden betrokken bij de beoordeling van de evenredigheid van het opleggen van een inreisverbod. In het bestreden besluit heeft een onvoldoende indringende toets aan artikel 8 van het EVRM plaatsgevonden. Hij verblijft als sinds zijn aankomst in Nederland bij zijn gezin, ze staan allen ingeschreven op hetzelfde adres in Zaandam, en zijn nooit van elkaar gescheiden geweest. Daarbij bestaat er een objectieve belemmering om het gezinsleven in Sri Lanka uit te oefenen, terwijl ook zijn dochters in Nederland zijn geboren en hier onderwijs genieten. Zijn echtgenote en de kinderen zijn inmiddels genaturaliseerd tot Nederlander. Volgens eiser kan niet van hen worden verlangd om Nederland te verlaten. Van belang is verder dat hij op 12 juli 2018 een aanvraag heeft gedaan met een beroep op het arrest van het Hof van 10 mei 2017, H.C. Chavez-Vilchez (ECLI:EU:C:2017:354). Die aanvraag is bij besluit van 26 april 2019 afgewezen. Bij besluit van 14 november 2019 heeft verweerder het hiertegen door hem gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Zijn beroep hiertegen is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 7 september 2020 (AWB 18/8781) ongegrond verklaard. De schriftelijke reactie van verweerder op vragen van de rechtbank 40. Verweerder heeft op 17 maart 2021 gereageerd op de vragen van de rechtbank. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de arresten van het Hof van 16 oktober 2014, 14 maart 2017, 26 jul

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...