ECLI:NL:RBDHA:2021:12313
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2021-09-02
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
MK; asiel; artikel 1(F); gehoor; politiecommandant Oeganda; arrest Ekozola; toetsingsvolgorde; homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig; artikel 3 EVRM; terugkeerbesluit; inreisverbod 10 jaar; arrest K en HF; ongegrond Samenvatting: Uit de werkinstructie 2005/22 volgt geen verplichting voor verweerder om een aanvullend 1F-gehoor af te nemen. Verweerder heeft voldoende aangetoond dat eiser wist dat de Oegandese politie zich schuldig maakt aan martelen (knowing participation) en dat hij als Regional Police Commander ‘command responsibility’ heeft gehad voor de martelingen die in het politiebureau hebben plaatsvonden (personal participation). Uit informatie in openbare bronnen blijkt dat de Oegandese politie zich in de periode dat eiser politiecommandant was schuldig heeft gemaakt aan gewelddadig optreden tegen politieke opposanten van president Museveni en aan buitengerechtelijke detentie en ernstige mishandeling en marteling van arrestanten. Eiser was hoogste commandant in een politieregio bij een politiebureau dat bekend stond als plek waar gemarteld werd. Uit berichten in de Oegandese media blijkt dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan geweld tegen burgers. Verder blijkt uit het schema van de commandostructuur dat eiser als hoofd van een politieregio opdrachten geeft aan de politieofficieren onder hem. Eiser heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eisers betoog dat het martelen door de Oegandese politie niet op zijn politiebureaus heeft plaatsgevonden, maar door specialistische politieafdelingen, zoals de Flying Squad, de CID en de CI is uitgevoerd, vindt geen steun in de stukken. De ‘positieve’ nieuwsberichten over eiser als mensenrechtenactivist, heeft verweerder gelet ook op de vele Oegandese mediaberichten waarin eiser naar voren komt als een gevreesde en gewelddadige politiechef, onvoldoende mogen vinden om de 1F-handelingen niet aan eiser toe te rekenen. De toetsing aan artikel 1(F) is voldoende geïndividualiseerd en niet in strijd met het arrest Ekozola. Verweerder hoefde niet eerst eisers asielmotieven te beoordelen alvorens aan artikel 1(F) te toetsen. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser en de daarmee samenhangende problemen in Oeganda niet geloofwaardig zijn. Dat eisers naam op een anonieme dodenlijst staat, levert geen reëel artikel 3 EVRM-risico op. Eiser heeft in de gehoren geen blijk gegeven dat hij bereid is om enige rekenschap af te leggen over de door hem begane misdrijven. Door deze houding blijft eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde vormen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13885 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins). Procesverloop Met het besluit van 3 juli 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Met het besluit van 16 december 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder aanvullend beslist op de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft vervolgens de gronden van zijn beroep aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Kibuuka. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt van Oegandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1982] . 2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Oeganda eigenaar was van een winkel in voedingsmiddelen en huishoudelijke producten. Hij heeft Oeganda verlaten omdat zijn huis, vanwege zijn homoseksuele geaardheid, na vele dreigementen, op 10 januari 2019 door buurtbewoners in brand is gestoken. Na deze brandstichting is eiser door de politie gearresteerd en is hij in het ziekenhuis beland. Vervolgens is eiser na telefonisch contact met zijn vriend [A] , met hulp van een verpleegster ontsnapt en het land uit gesmokkeld. Eiser vreest bij terugkeer naar Oeganda vermoord te worden vanwege zijn homoseksuele geaardheid. 3. Uit onderzoek in openbare bronnen is verweerder gebleken dat eiser een politiecommandant in [plaats] is geweest, die sinds 2018 op de vlucht is voor de Oegandese Justitie in verband met het afpersen van drie Koreaanse zakenlieden voor een bedrag van 400.000 dollar. Eiser heeft eerst ontkend dat hij deze politiecommandant van [plaats] is, maar hij heeft dat later in de aanvraagprocedure toegegeven. De bestreden besluiten I en II 4. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond1, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Eiser heeft van 2013 tot 2018 leiding gegeven aan de politie in [plaats] . Eiser had een nauwe relatie met het hoofd van de Oegandese politie, de beruchte generaal [B] . Uit informatie in openbare bronnen is verweerder gebleken dat de Oegandese politie zich in de periode dat eiser politiecommandant in [plaats] was schuldig heeft gemaakt aan gewelddadig optreden tegen politieke opposanten van president Museveni en aan buitengerechtelijke detentie en ernstige mishandeling en marteling van arrestanten. Dat de Oegandese politie zich schuldig maakt aan martelen moet aldus bij eiser bekend zijn geweest. Ook omdat President Museveni zich publiekelijk tegen het gebruik van martelen als onderzoeksmethode heeft uitgesproken waarvan een billboard was geplaatst op de weg waar het bureau was gevestigd waar eiser op dat moment politiecommandant was. Verder is verweerder uit berichten in de Oegandese media gebleken dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan gewelddadig optreden tegen burgers. Er is aldus aantoonbaar sprake van het opdracht geven tot het plegen van misdrijven en dus van misdrijven die onder zijn bevel en verantwoordelijkheid plaatsvonden. Verweerder heeft de aan eiser tegengeworpen gedragingen aangemerkt als ernstige niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.2 Na toepassing van de zogenoemde “personal and knowing participationtest” heeft verweerder geconcludeerd dat eiser individueel voor die gedragingen verantwoordelijk gehouden moet worden. Omdat eiser onder de toepassing van artikel 1(F), aanhef, en onder b, van het Vluchtelingenverdrag valt, kan hij volgens verweerder geen aanspraak maken op de bescherming die de overige artikelen van het Vluchtelingenverdrag bieden. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig is en dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft vastgesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en heeft daarom aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar 1. Artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw, 2 Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. opgelegd. Verweerder ziet geen aanleiding om van het opleggen van een inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Omvang beroep 5. De rechtbank stelt vast dat op zitting eiser zijn beroepsgronden dat voorafgaande aan de aanvullende beschikking ten onrechte geen nieuw voornemen is uitgebracht en dat ten onrechte niet aan artikel 64 van de Vw is getoetst, heeft ingetrokken. Oordeel rechtbank 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, ook met wat eiser in beroep heeft aangevoerd, deugdelijk heeft gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarom de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig is bevonden en waarom verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd. De rechtbank zal haar oordeel hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser toelichten. Horen 7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe allereerst aan dat verweerder in strijd met Werkinstructie 2005/22 geen 1(F) gehoor heeft gehouden en daarom onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser heeft in zijn brief van 27 februari 2020 van zijn toenmalige advocaat toegegeven dat hij politiecommandant was in Oeganda en dat hij daarover gehoord wilde worden. Ook in de zienswijze heeft eiser gevraagd om een 1(F) gehoor. Verweerder had eiser toen de gelegenheid moeten bieden om met een 1F-gehoor de twijfel over de 1F-indicatie weg te nemen. Dit klemt te meer omdat juist de 1F-unit van verweerder de expertise heeft over de verschillende rangen en functies binnen de politie in Oeganda. 8. De rechtbank stelt vast dat op 26 februari 2019 een aanmeldgehoor Dublin met eiser heeft plaatsgevonden, waarna op 20 en 22 januari 2020 eerste gehoren en op 22 januari 2020 en op 13 februari 2020 nadere gehoor zijn gevolgd. Eiser heeft tijdens deze gehoren tot tweemaal toe ontkend dat hij [eiser] , de politiecommandant van [plaats] is. Eiser heeft verklaard dat dit zijn tweelingbroer is die dezelfde naam heeft als hij. Bij brief van 27 februari 2020 heeft eiser een reactie op de gehoren ingediend en gesteld dat hij wel [eiser] , de politiecommandant van [plaats] is en heeft hij verzocht om een 1(F) gehoor. Verweerder heeft vervolgens op 28 februari 2020 het voornemen uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft in de zienswijze van 29 juni 2020 op het voornemen gereageerd en zijn verzoek om een 1(F) gehoor herhaald. Verweerder heeft daarop de beschikking van 3 juli 2020 genomen. 9. De rechtbank stelt vast dat eiser hangende zijn beroep bij de rechtbank alsnog op 10 november 2020 nader is gehoord en in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aan hem tegengeworpen misdrijven. Hij is toen tevens gehoord over zijn gestelde seksuele geaardheid in het kader van Werkinstructie 2019/17. Verweerder heeft vervolgens op 16 december 2020 een aanvullend asielbesluit genomen, waarin eisers verklaringen over de 1(F) beschuldigingen zijn betrokken. De rechtbank acht deze werkwijze niet onzorgvuldig. Dat eiser niet eerst een 1(F) gehoor heeft gehad voorafgaand aan het voornemen, maakt dat niet anders. Uit de werkinstructie 2005/22 volgt geen verplichting voor verweerder om een aanvullend 1F-gehoor af te nemen. Dat verweerder alsnog dit gehoor heeft afgenomen maakt de besluitvorming zorgvuldig. Bovendien heeft verweerder in het besluit van 3 juli 2020 niet alleen gekeken naar het functioneren van de politie in Oeganda maar ook naar de individuele rol van eiser daarin. Verder is eiser tijdens de asielprocedure meerdere malen in de gelegenheid gesteld om zijn persoonlijke visie te geven op de misdrijven waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden. Van een onzorgvuldige behandeling van eisers asielprocedure is daarom geen sprake. Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 10. Eiser is van mening dat verweerder hem ten onrechte artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegenwerpt. Volgens eiser heeft verweerder met de openbare bronnen niet aangetoond dat hij heeft gewerkt bij een organisatie die op systematische wijze en/of grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Uit het jaarverslag over 2016 van de African Centre for Treatment and Rehabilitation of Torture Victims (ACTV) volgt enkel dat 43% van de beschuldigingen van marteling voor rekening komt van de Oegandese politie. Hiermee is niet inzichtelijk hoeveel mensen door toedoen van de politie in Oeganda daadwerkelijk slachtoffers zijn geworden van marteling/foltering, waar dit heeft plaatsgevonden en of eiser daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Verweerder heeft ook onvoldoende onderzoek gedaan naar de invulling en uitvoering van eisers taken, naar de periode waarbinnen de gestelde misdrijven zijn gepleegd en naar precieze de rol van eiser hierin. Verweerder heeft met de algemene informatie uit openbare bronnen ook niet aangetoond dat de misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden onder zijn 'command' hebben plaatsgevonden. Eiser stelt dat hij nooit heeft gewerkt voor een afdeling die verantwoordelijk was voor het martelen van arrestanten. Die taken werden uitgevoerd door speciale afdelingen als Flying Squad Unit, Field Force Unit, Special Operations Unit, Crime Intelligence Department (CID), Directors Criminals Investigations Department, Director Crime Intelligence (CI), de IGP of Police Counter Terrorism Police Unit of de Special Forces Command (SFC), ISO en CMI. Uit het schema van de commandostructuur van de Uganda Police Force (UPF) en uit 'The police act' van 14 oktober 1994 blijkt dat de RPC onder het gezag stond van de IGP en dat deze ‘standing orders’ kon geven aan gespecialiseerde politie-units die direct onder zijn gezag staan. Hieruit blijkt dat eiser als RPC geen ‘command responsibility’ heeft gehad voor de martelingen die in het politiebureau in [plaats] hebben plaatsvonden. Dat eiser door media wordt afgeschilderd als een beschermeling van de beruchte generaal [B] , betekent niet dat daarmee is aangetoond dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor handelingen van generaal [B] . De facebookbron ' [facebookbron] ' is volgens eiser geen gezaghebbende nieuwsbron en kan daarom niet als bewijs dienen voor zijn gestelde nauwe relatie met generaal [B] . Eiser beroept zich op het Ezokola-arrest3. Uit dat arrest volgt dat de individuele bijdrage van de vreemdeling doorslaggevend is voor de vraag of een vreemdeling medeplichtig kan worden gehouden voor ernstige misdrijven zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser verwijst verder naar de uitspraak van 3 december 2015 van 3 Arrest van 19 juli 2013 van het Supreme Court of Canada, 2013 SCC 40-34470. deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg4, waarin is geoordeeld dat sprake moet zijn van het oogmerk het misdrijf te plegen of de gevolgen ervan te aanvaarden om artikel 1F te kunnen tegenwerpen. Eiser stelt dat hij zich in Oeganda juist heeft ingespannen voor het respecteren van mensenrechten. Hij verwijst hiervoor naar publicaties uit 2015 waarin hij zich uitspreekt tegen het gebruik van geweld door ordehandhavers. Volgens eiser heeft verweerder deze positieve berichten ten onrechte niet in zijn voordeel meegewogen. 11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de openbare bronnen genoemd in het voornemen blijkt dat de Oegandese politie zich op grote schaal schuldig maakt aan martelingen en ernstige mishandelingen van arrestanten. Uit het schema van de commandostructuur blijkt ook dat eiser als hoofd van de politieregio in [plaats] opdrachten geeft aan de politieofficieren onder hem. Eiser heeft dat in zijn aanvullend gehoor (p.8) ook bevestigd. Hoewel niet kan worden aangetoond dat eiser actief opdracht heeft gegeven om arrestanten te martelen, blijkt volgens verweerder uit de openbare bronnen wel dat hij herhaaldelijk opdracht heeft gegeven voor grof geweld tegen burgers. 12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)5 is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. Dit volgt ook uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waar in paragraaf C2/7.10.2.4 staat dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn dat de vreemdeling één van de strafbare feiten genoemd in artikel 1(F) heeft gepleegd. Indien verweerder ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te voorkomen. 13. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F), past verweerder de “personal and knowing participation test” toe. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/ de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1 (F) worden tegengeworpen. De “personal and knowing participation test” is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de circulaire. 14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, na een op de persoon toegespitste beoordeling, deugdelijk gemotiveerd dat in het geval van de eiser sprake is van 'knowing en personal participation'. De rechtbank licht dat hieronder toe aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Knowing participation 4 ECLI:NL:RBDHA:2015:14081. 5 Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraken van 1 september 2017, (ECLI:NL:RVS:2017:2377) en van 1 november 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:3684). 15. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op de volgende openbare bronnen: - het jaarverslag over 2016 van de African Centre for Treatment and Rehabilitation of Torture Victums (ACTV)6; - het jaarverslag over 2016 van de Uganda Human Rights Commission (UHRC)7; - openbare bronnen als Facebook en de Monitor.co.ug; - informatie van de organisaties Torture Abolition and Survivors Support Coalition International (TASSC), Statehouse.go.ug, Human Rights Watch (2016) en van US Department of State Country Reports 2016 Uganda; - het rapport 'We come and disperse them' uit 2015 van Amnesty International8; - een nieuwsbericht ' [B] was building personal force, new IGP tells MP’s' van 8 maart 20189; - het artikel 'General [B] makes 15 reshuffles in nine months' in de Observer10; - een schema van de commandostructuur binnen de Uganda Police Force dat op de eigen officiële website van de Oegandese politie staat11. 16. De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode van november 2013 tot maart 2018 werkzaam was als Regional Police Commander (RPC), afwisselend van de politieregio [politieregio 1] en de politieregio [politieregio 2] . De RPC is de hoogste commandant van politieregio [politieregio 1] , dat is gevestigd in het politiebureau [politiebureau] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de informatie in genoemde openbare bronnen heeft kunnen afleiden dat in de periode 2013 tot 2018 de Oegandese politie zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan ernstige mishandeling en aan marteling van arrestanten, dat de Oegandese politie grof geweld heeft gebruikt om de politieke oppositie tegen president Museveni te onderdrukken en daarbij onder meer vermeende politieke tegenstanders ernstig mishandelde. Uit de bronnen volgt ook dat de Oegandese politie in [plaats] zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven (geweld) tegen homoseksuelen. In het jaarverslag 2016 van de ACTV komt de politie naar voren als de belangrijkste dader van martelingen in Oeganda. Uit het jaarverslag 2016 van de UHRC wordt in een onderzoek over de periode 2011 tot 2016 marteling beschreven als methode om bekentenissen van arrestanten te verkrijgen en als middel om politieke oppositie te onderdrukken. De UHRC wijst de Oegandese politie aan als de belangrijkste dader van martelpraktijken en verantwoordelijk voor 62% van alle gerapporteerde gevallen. Uit de rapporten van de US Department of State en Amnesty International blijkt dat de Oegandese politie zich schuldig maakt aan excessief geweld, willekeurige arrestaties en marteling van opposanten. In het rapport 2015 van Amnesty International wordt melding gemaakt van een arrestatie en marteling van [C] in [plaats] op 14 september 2015. Ook wordt in het rapport van Amnesty International melding gemaakt van een arrestatie en marteling op 15 juli 2015 van [D] . Tijdens beide incidenten was eiser de politiecommandant in 6 https://actvuganda.org/download/ACTV-Annual-Report/ACTV-2016-Annual-Report.pdf 7 https://www.uhrc.ug/wp-content/uploads/2019/06/UHRC-19th-Annual-Report-2016.pdf 8 https://www.amnesty.nl/content/uploads/2015/12/ugandareport.pdf?x10542 9 https://www.pmldaily.com/news/2018/03/ [B] -was-building-personal-force-new- igp-tells- mps.html 10 https://observer.ug/news-headlines/40245-general- [B] -makes-15-reshuffle-in-nine-months 11 https://www.upf.go.ug/territorial-police-command/ [plaats] . De rechtbank is van oordeel dat deze bronnen voldoende gezaghebbend zijn en dat verweerder zijn beslissing op de informatie uit deze bronnen heeft kunnen baseren. 17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt ook heeft kunnen baseren op informatie afkomstig uit openbare bronnen als Facebook en de Monitor. Uit deze bronnen blijkt dat eiser in Oeganda wordt gezien als een beschermeling van de beruchte generaal [B] en dat hij deel heeft uitgemaakt van een groep politieofficieren die onder deze generaal carrière hebben gemaakt binnen de Oegandese politie. De rechtbank ziet niet in waarom de informatie in deze bronnen niet betrouwbaar zou zijn. Eiser heeft ook niet met bewijstukken aangetoond dat deze informatie onjuist zou zijn. Uit informatie van de internationale organisatie TASSC blijkt verder dat deze generaal [B] bekend stond om het toestaan en zelfs aanmoedigen van gewelddadig optreden, mishandeling en marteling door de Oegandese politie.12 Verweerder heeft verder meegewogen dat deze generaal [B] op 13 september 2019 door de Verenigde Staten op een sanctielijst is gezet vanwege ernstige mensenrechtenschendingen die onder zijn leiding zijn begaan. De rechtbank is van oordeel dat de informatie over de generaal [B] steun biedt voor verweerders standpunt dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid. 18. In de Oegandese media wordt het politiebureau [politiebureau] genoemd als locatie waar regelmatig gemarteld werd.13 Hieruit volgt dat eiser hoogste commandant was van de politieregio [politieregio 1] in een politiebureau dat bekend stond als plek waar gemarteld werd. Gelet hierop en gezien de informatie in de openbare bronnen genoemd onder 15, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat bij eiser bekend moet zijn geweest dat de Oegandese politie waarvoor hij werkte, zich sinds jaren schuldig maakt aan marteling, dat het gebruik van martelen in brede kring veroordeeld wordt en dat martelen in Oeganda bij wet is verboden.14 Dat eiser wetenschap had dat door de Oegandese politie werd gemarteld volgt ook uit zijn verklaring ter zitting ‘Veel mensen zijn gemarteld maar niet onder mijn verantwoordelijkheid’. Dat uit de rapporten van AVTV en UHCR niet precies blijkt hoeveel mensen door de Oegandese politie zijn gemarteld en op welke politiebureaus die martelingen hebben plaatsgevonden, maakt niet dat verweerder geen ‘knowing participation’ bij eiser heeft kunnen aannemen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser bij het aanvullend gehoor15 ook heeft toegegeven dat er door de Oegandese politie werd gemarteld. Ook de informatie op internet van 25 juni 2015 over een billboard met de tekst ‘Torture is Now A Crime in Uganda. Stop Torture, Report Torture’ op [straat] , de locatie van een van de hoofdbureaus van politie in [politieregio 1] , heeft verweerder als een aanwijzing kunnen zien dat bij eiser sprake was van ‘knowing participation’. Verweerder heeft van belang mogen achten dat martelen een gangbare praktijk is van de Oegandese politie. Verweerder heeft daarvan een bevestiging mogen zien in een oproep van president Museveni aan de Oegandese politie, naar aanleiding van grote publieke verontwaardiging rond incidenten in 2017, om minder gebruik te maken van 12 https://www.tassc.org/human-rights-abuses-around-the-world/2018/9/20/the-fight-for-police- reform-abs-ending-torture-in-uganda 13 Onder meer in https://www.newsvision.co.ug/new_vision/news/1503239/uganda-losing-battle- torture 14 Sinds de inwerkingtreding in 2012 van de Prevation And Prohibition Torture Act is marteling in Oeganda bij wet verboden. 15 Aanvullend gehoor 10 november 2020, p. 10. martelen als methode om bekentenissen te verkrijgen.16 Verweerder heeft daarmee de 'knowing participation' van eiser voldoende aangetoond. Personal participation 19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat eiser in de periode dat hij het commando had over de politie in [plaats] , persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het martelen en ernstig mishandelen van arrestanten. Vaststaat dat eiser van 2013 tot 2018 als hoogste commandant leiding heeft gegeven aan de politie in [plaats] en dat aangetoond is dat de Oegandese politie in [plaats] zich jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het martelen en mishandelen van arrestanten en politieke opposanten. Eiser had aldus zeggenschap. Verder is gebleken dat eiser tot aan zijn schorsing in 2018 onder Inspector General of Police (IGP), de ‘martel- generaal’ [B] heeft gezeteld. Daargelaten of eiser een nauwe band met deze martel- generaal had, heeft verweerder hierin een aanwijzing mogen zien dat het martelen niet alleen onder eisers verantwoordelijkheid, maar ook met zijn medeweten en met zijn goedkeuring gebeurde. Hiervoor acht de rechtbank ook het navolgende van belang. 20. Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan politiegeweld tegen burgers mede gebaseerd op berichten in de Oegandese media. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen deze mediaberichten de informatie over martelingen door de Oegandese politie in de openbare bronnen. Zo heeft Human Right Watch news op 1 november 2016 bericht dat in juli 2016 de politie in [plaats] bruut geweld heeft gebruikt tegen aanhangers van de oppositieleider en presidentskandidaat dr. [F] . Uit een bericht van Uganda Radio Network hierover blijkt dat op 12 en 13 juli 2016 zwaar bewapende politieagenten zeer gewelddadig zijn opgetreden tegen de aanhangers van [F] , dat beelden daarvan in de media zijn getoond en dat eiser tijdens die mishandelingen persoonlijk is gefilmd. Dat verweerder de videobeelden niet zelf heeft gezien, betekent niet dat verweerder aan de berichten hierover in de media geen waarde mag toekennen. Uit een bericht van de Monitor blijkt dat eiser bij een ander incident opdracht heeft gegeven om met het scherp te schieten op demonstranten. Verder blijkt uit een mediabericht over mensenrechtenadvocaat [E] dat eiser in 2017 met een barricade van tanks en traangas de advocaat heeft verhinderd om zijn client [F] te consulteren en dat eiser betrokken was bij de arrestatie en mishandeling van de politicus [G] en van de journalist [H] . Tot slot wordt eiser zowel in een Twitterbericht van [F] als in de Oegandese Independent genoemd als een van de meest beruchte politieofficieren. Verweerder heeft met deze berichten uit de Oegandese media genoegzaam aangetoond dat sprake is van het plegen van ernstige misdrijven onder de verantwoordelijkheid van eiser als politiecommandant in [plaats] . Eisers betoog dat het gaat om informatie uit algemene bronnen en dat verweerder informatie over eiser selectief heeft geciteerd, is geen reden om aan te nemen dat de informatie in de berichten onjuist zou zijn. Eiser heeft die onjuistheid ook niet aangetoond. Hoewel verweerder niet heeft aangetoond dat eiser actief opdracht heeft gegeven om arrestanten te martelen, blijkt wel uit de mediaberichten dat eiser bij herhaling opdracht heeft gegeven voor grof geweld tegen burgers en aanhangers van de oppositie. Voorts blijkt daaruit ook dat hij het geweld in ieder 16 https://www.statehouse.go.ug/media/presidential-statements/2017/05/16/presidents-statement- torture geval niet heeft voorkomen. Verweerder heeft hiermee voldoende onderzoek gedaan naar de eisers functie en taken, naar de periode waarin de gestelde misdrijven hebben plaatsgevonden en naar eisers eigen rol daarin. 21. Eisers stelling dat hij voor de gestelde misdrijven niet verantwoordelijk kan worden gehouden, omdat het martelen door de Oegandese politie niet op zijn politiebureaus heeft plaatsgevonden, maar door specialistische politieafdelingen, zoals de Flying Squad, de CID en de CI is uitgevoerd, vindt geen steun in de stukken. Dat die specialistische afdelingen rechtstreeks onder verantwoordelijkheid vielen van de IGP blijkt ook niet uit het commandoschema van de Oegandese politie waarnaar eiser heeft verwezen. Blijkens dat schema vallen de speciale afdelingen als de CID en de CI onder het commando van de RPC, de functie die eiser van 2013 tot 2018 in [plaats] heeft bekleed. De Flying Squad staat niet genoemd in het commandoschema en/of in de Police Act, zodat eiser daarmee niet heeft aangetoond dat deze speciale afdeling niet onder zijn verantwoordelijkheid als RPC zouden vallen. Eiser heeft daarmee niet aangetoond dat hij geen ‘command responsibility’ zou hebben gedragen voor de misdrijven die plaatsvonden in de politiebureaus van [plaats] die onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Verweerder heeft hierin geen reden hoeven zien voor twijfel aan de eisers personal participation. 22. Eiser betoogt verder dat hij formeel wel het gezag had over de politieofficieren onder hem, maar dat zijn commando’s genegeerd werden omdat hij binnen het politiekorps bekend stond als mensenrechtenactivist. Eiser beroept zich daarbij op een drietal nieuwsberichten uit 2015, waaruit blijkt dat hij zich in Oeganda juist heeft ingespannen voor het respecteren van mensenrechten.17 Eiser stelt dat hij in 2016 is gekozen als leider van het Committee for Rectification Campagne van de Ugandese politie, waarbij hij verantwoordelijk werd gesteld voor het verbeteren van de mensenrechten binnen het politieapparaat. In deze functie heeft eiser bewustzijn gecreëerd ter voorkoming van excessief geweld van politieagenten, met inbegrip van marteling/foltering, en ter voorkoming van straffeloosheid van politieagenten bij het begaan van misdrijven. Eiser is toentertijd aangesteld vanwege zijn bijdrage aan het bevorderen van mensenrechten, zijn campagne om het politieapparaat te professionaliseren en zijn strijd tegen corruptie binnen de politie. Eiser was daarom ook aangesteld als Commissioner in Charge of Political Education waarbij hij samenwerkte met de directeur van de afdeling juridische zaken en mensenrechten. Eiser stelt dat hij dat hij vanwege deze handelingen door verschillende mensen binnen het politieapparaat werd gehaat. Eiser heeft diverse acties uitgevoerd zoals het invoeren van supervisie alert teams, speciale politiecellen ingevoerd voor mannen en vrouwen ter voorkoming van seksuele misstanden, ervoor zorgen dat verdachten voldoende te eten kregen en dat cellen aan de hygiënevoorschriften voldeden. Elke ochtend kreeg cliënt een rapport van het Regionale Alert team, wat een positief effect had op het imago van de politie binnen zijn regio. Eiser is daarom van mening dat verweerder een onjuist en onvolledig beeld van hem en zijn positie binnen de politie heeft geschetst. 23. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet kan slagen. Gezien de belastende informatie over eisers functioneren als politiecommandant zoals die blijkt uit de vele berichten in de Oegandese media, heeft verweerder de ‘positieve’ nieuwsberichten uit 2015 17 Newvision.co.ug: [artikel] , TrumpetNews.co.ug, [artikel] , Chimpreports.com: [artikel] en Chimreports.com: [artikel] . onvoldoende mogen vinden om de 1F-handelingen niet aan eiser toe te rekenen. Het nieuwsbericht van 23 oktober 2015, waarin eiser naar aanleiding van een grote publieke verontwaardiging zich uitspreekt tegen het gebruik van geweld door ‘crime preventers’, heeft verweerder als een bevestiging kunnen aanmerken dat eiser wist dat het overmatig geweld van de Oegandese politie tegen burgers als misdadig werd gezien en als een poging om de publieke opinie ten opzichte van de politie te verbeteren. Met het nieuwsbericht van 8 maart 2015 waarin eiser zich uitspreekt tegen landdiefstal door politieagenten en het nieuwsbericht van 2 april 2015 waarin eiser leerlingen op een islamitische school waarschuwt tegen islamitisch terrorisme, heeft eiser niet aangetoond dat hij in zijn functie als regionaal politiecommandant in [plaats] daadwerkelijk mensenrechtenschendingen heeft weten te voorkomen. Dat eiser binnen het Oegandese politiecorps een bijzondere positie had en een belangrijke voorvechter van mensenrechten is geweest in welk verband hij heeft samengewerkt met de directeur van de afdeling juridische zaken en mensenrechten , is niet met enig bewijsstuk onderbouwd. Verweerder heeft aan deze stellingen van eiser, gelet ook op de vele Oegandese mediaberichten waarin eiser naar voren komt als een gevreesde en gewelddadige politiechef, geen geloof hoeven hechten en daaraan bij zijn beoordeling over de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag voorbij kunnen gaan. Eiser heeft verder geen bewijstukken overgelegd waaruit blijkt dat het martelen of mishandelen van arrestanten op politiebureaus in [plaats] hem als politiecommandant niet kunnen worden toegerekend. De enkele verklaring van eiser op zitting dat de martelingen niet onder zijn verantwoordelijkheid hebben plaatsgevonden is, gelet op wat hierover is geoordeeld onder 21 over de commandostructuur van de UPF, onvoldoende. Dat geldt ook voor eisers verklaring dat hij gevangenen heeft bezocht en heeft gevraagd of ze gemarteld werden en dat er niet is geklaagd. 24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de informatie uit de openbare bronnen en de berichten in de Oegandese media voldoende heeft aangetoond dat eiser als politiecommandant van [plaats] de leiding heeft gehad over politiemensen die martelden en dat hij als politiecommandant heeft gezeteld in een politiebureau dat bekend stond als locatie waar regelmatig gemarteld werd. Verweerder heeft eiser daarom persoonlijk verantwoordelijk kunnen houden voor het martelen van gevangenen door ondergeschikten, nu hij daarvan gezien zijn functie als hoogste politiecommandant in [plaats] op de hoogte was of moet zijn geweest. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd aangetoond dat eiser in zijn functie als regionaal politiecommandant bij de Oegandese politie in [plaats] het ernstig mishandelen en/of het martelen van arrestanten heeft gefaciliteerd. Verweerder heeft eiser gezien zijn positie als politiecommandant in [plaats] daarom (mede)verantwoordelijk kunnen houden voor het schenden van mensenrechten als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Arrest Ezokola 25. Uit wat hiervoor is overwogen volgt evenzeer dat verweerder de toets op grond waarvan hij artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing heeft verklaard, voldoende heeft geïndividualiseerd. Verweerder heeft niet uitsluitend 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen reeds omdat eiser heeft gewerkt als politiecommandant in [plaats] . Verweerder heeft immers aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd informatie uit openbare bronnen waaruit eiser zijn persoonlijke betrokkenheid volgt en daarmee de handelingen die eiser zelf heeft verricht gekwalificeerd. De rechtbank ziet daarom geen strijd met de zaak Ezokola. 26. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg slaagt evenmin, omdat de Afdeling deze uitspraak in hoger beroep heeft vernietigd.18 Volgens de Afdeling is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voor de vaststelling of een vreemdeling vreemdelingenrechtelijk gezien verantwoordelijk kan worden gehouden voor het faciliteren van de gepleegde misdrijven niet, zoals de rechtbank stelt, vereist dat hij het oogmerk had om het misdrijf te plegen of de gevolgen ervan te aanvaarden. Het beroep van eiser op de Guidelines en de Background Note19 waaruit volgt dat sprake moet zijn van wetenschap en oogmerk (knowledge and intent) voor het aannemen van verantwoordelijkheid voor de gepleegde 1(F) misdrijven, slaagt daarom evenmin. Toetsingsvolgorde 27. Eiser voert aan dat verweerder een onjuiste toetsingsvolgorde heeft toegepast. Met verwijzing naar het arrest B en D20 stelt eiser dat verweerder eerst had moeten onderzoeken of de vluchtelingenstatus op hem van toepassing is alvorens onderzoek te doen naar de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. 28. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Vluchtelingenverdrag niet verplicht tot statusbepaling op grond van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag voorafgaand aan de toetsing van artikel 1(F) van dat Verdrag. 29. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt, indien artikel 1 (F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet. 30. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling21 mag verweerder, nu de toepasselijkheid van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het vaststellen van vluchtelingschap, allereerst nagaan of het Vluchtelingenverdrag gelet op die bepaling, op eiser van toepassing is. Verweerder hoefde dus niet eerst de redenen voor het aanvragen van asiel te beoordelen alvorens aan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te toetsen. Van een onjuiste toetsingsvolgorde is dan ook geen sprake. 31. Het beroep op het arrest B en D kan in dit verband niet leiden tot een ander oordeel. Uit rechtsoverweging 73 van dit arrest kan de rechtbank niet afleiden dat verweerder eerst een vluchtelingenstatus moet verlenen en pas daarna kan beoordelen of de vreemdeling daarvan is of moet worden uitgesloten. Uit dit arrest volgt enkel dat de bevoegde autoriteiten bij hun onderzoek of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor schendingen van onder meer artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, moeten nagaan 18 Uitspraak van 19 oktober 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:2851). 19 UNHCR Guidelines on international protection: application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, zoals nader uitgewerkt in de UNHCR Background Note on the Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees. 20 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 9 november 2010, B. en D., C-57/09 en C-101/09, (ECLI:EU:C:2010:661). 21 Zie onder meer de uitspraak van 27 oktober 2003, in zaak no. 200305116/1 (JV 2003/555). welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij het stellen (verwezenlijken) van de betrokken daden, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend dan wel of andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden. Zoals de rechtbank hiervoor onder punt 25 heeft geconcludeerd, heeft verweerder die beoordeling in eisers geval voldoende geïndividualiseerd verricht. Seksuele geaardheid 32. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is, dat hij al 20 jaar een relatie heeft met een man, genaamd [A] , en dat zijn omgeving meerdere keren op de hoogte is gekomen van die relatie en zijn homoseksuele geaardheid. Eiser heeft hier voorbeelden van genoemd. Eiser zegt dat het ook in zijn directe woonomgeving algemeen bekend was dat hij homoseksueel is. Zijn echtgenote zou vaak door buurtbewoners daarmee zijn geconfronteerd. Eiser zegt dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid op straat voortdurend is uitgescholden en dat in 2015 om die reden zijn woning in brand is gestoken. 33. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is. Volgens verweerder maken de verklaringen van eiser over de beleving van zijn eigen seksuele gerichtheid en de reactie daarop vanuit zijn omgeving niet dat sprake is van een authentiek en persoonlijk verhaal en zijn deze verklaringen op belangrijke punten tegenstrijdig. Zo heeft eiser wisselend verklaard over het moment van zijn eerste homoseksuele contact en heeft hij niet overtuigend verklaard over zijn langdurige liefdesrelatie met [A] . Verder heeft eiser geen blijk gegeven van een authentieke kennis over de homoseksuele gemeenschap in [plaats] en van zijn homoseksuele ervaringen in Nederland. Verweerder vindt het verder ongeloofwaardig dat eisers homoseksualiteit algemeen bekend zou zijn geweest, terwijl hij zonder problemen tot aan het moment van zijn vertrek op het hoogste niveau bij de politie van Oeganda werkzaam heeft kunnen zijn. Eisers verklaring dat hij binnen de politie is gepest met zijn seksuele geaardheid, acht verweerder ook ongeloofwaardig, omdat in Oeganda op homoseksuele handelingen zeer zware straffen staan en de Oegandese politie hard optreedt tegen homoseksuelen. Eisers verklaring dat hij in 2015 is gescheiden van zijn vrouw [I] valt volgens verweerder niet te rijmen met een filmpje op You Tube waaruit blijkt dat eiser in 2018 nog met deze vrouw is gehuwd.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...