Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2021:11903

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2021-11-01
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL21.11124
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
55.506 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Afvalligheid – huiskerkbijeenkomsten – bekering – risico’s terugkeer – alle beroepsgronden slagen. Verweerder heeft ten onrechte het bijwonen van huiskerkdiensten in Iran niet als zelfstandig element benoemd. Verweerder heeft ten onrechte de geloofwaardig geachte afvalligheid en het geloofwaardig geachte deelnemen aan huiskerkdiensten in Iran niet betrokken bij de beoordeling of sprake is van een oprechte bekering. De beoordeling van de motieven voor en het proces van bekering is ondeugdelijk. Verweerder heeft de zogenaamde tweede pijler en derde pijler in strijd met zijn werkinstructie en in strijd met recente Afdelingsjurisprudentie beoordeeld en gewogen. De tegenwerpingen bij het beoordelen van de gestelde reeds ondervonden problemen houden, behoudens een enkele overweging, geen stand. De beoordeling van de risico’s bij terugkeer naar Iran is ondeugdelijk. Verweerder heeft op meerdere punten onvoldoende doorgevraagd en stelt op onderdelen te hoge eisen aan eiser bij het aannemelijk maken van zijn relaas. Verweerder heeft ten onrechte een “kennelijkheid” bij de ongegrondverklaring van de asielaanvraag aangenomen. Het besluit wordt dan ook op alle onderdelen vernietigd.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11124 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. J.H.M Post). Procesverloop Bij besluit van 2 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 in verbinding met artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Hierbij is eveneens bepaald dat aan hem geen verblijfsvergunning regulier wordt verleend, dat aan hem geen uitstel van vertrek wordt verleend, dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten en dat hij een inreisverbod voor de duur van twee jaar krijgt opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Asielrelaas 1. Eiser stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1987. Eiser heeft op 27 september 2018 zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag) ingediend. 2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is op 22 april 2017 aangehouden in verband met drugsgebruik. Hiervoor heeft hij 15 zweepslagen gekregen. Hierdoor begon zijn afkeer tegen de islam. Rond 2017 heeft eiser zich uiteindelijk afgewend van de islam, nadat hij bij een incident waarbij hij een meisje redde problemen kreeg, omdat hij het meisje niet had mogen aanraken nu dit in strijd met de islamitische regels was, en voorts omdat hij niet aangenomen werd bij de gemeente. Nadat hij zich had afgewend van de islam raakte hij verder verslaafd aan drugs. Eiser heeft vervolgens op zijn werk [naam] ontmoet, die zijn leidinggevende was bij het ingenieursbureau, en tegen wie hij opkeek. Met [naam] had hij een band door hun gezamenlijke liefde voor sport. [naam] was een geboren christen. Met [naam] sprak eiser over het christendom. Hierna is eiser voor het eerst voor een maand gestopt met drugs, dit beschouwde hij als een wonder. Eiser zag [naam] als Jezus Christus zelf. Door [naam] werd eiser leidinggevende bij de afdeling architectuur. Op woensdag 15 maart 2018 is eiser bekeerd tot het christendom. Eiser heeft in het christendom vooral liefde ontvangen, hij heeft hierdoor rust en ook is hij van alles verlost. Eiser heeft Bijbellessen gevolgd die plaatsvonden op het ingenieursbureau. Eiser vindt het meest interessante verhaal uit de Bijbel het verhaal van de Romeinse Commandant wiens kind bijna dood was. Hij kan dit verhaal aan zijn eigen leven relateren. Eiser is gedoopt op 15 maart 2020. Op 29 november 2018 is er in de huiskerk op zijn werkplek een inval geweest van de autoriteiten. Eiser was die dag niet op kantoor aanwezig maar was in Teheran vanwege een werkopdracht. Ook is de inlichtingendienst nadien bij de vader van eiser langs geweest. Zij hebben toen naar hem gevraagd. Eisers vader heeft hierdoor ontslag gekregen. Eiser is hierop uit Iran gevlucht. Hij vreest bij terugkeer gedood te worden door de Iraanse inlichtingendienst omdat hij heeft deelgenomen aan de huiskerk en christen is. 3. Eiser heeft in de bestuurlijke fase – en mede ter onderbouwing van zijn asielrelaas – de volgende documenten overgelegd: een kopie van zijn paspoort, een kopie van zijn doopakte, een kopie van zijn diploma ‘lifesaving/diving’, een kopie ‘bodybuilding champion’, een kopie certificaat van het COa en een kopie van zijn studie-diploma. Bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: Identiteit, nationaliteit en herkomst Afwending van de islam Bekering tot het christendom Problemen in verband met de bekering tot het christendom 5. Verweerder volgt de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. Ook acht verweerder de afwending van de islam geloofwaardig. Deze geloofwaardig geachte elementen heeft verweerder “doorgetoetst” en daarbij is volgens verweerder niet gebleken dat eiser heeft te vrezen voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade indien hij zal terugkeren naar Iran. Verweerder acht de bekering tot het christendom voorts ongeloofwaardig. In dat kader heeft verweerder betrokken eisers verklaringen over zijn motieven voor en zijn proces van bekering, eisers verklaringen over de activiteiten in het kader van zijn nieuwe geloofsovertuiging alsmede eisers verklaringen over zijn kennis van het christendom. Ook de problemen in verband met de bekering tot het christendom acht verweerder ongeloofwaardig. Gelet op het voorgaande kan eiser volgens verweerder niet worden aangemerkt als verdragsvluchteling en is evenmin aannemelijk dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. De asielaanvraag is volgens verweerder kennelijk ongegrond omdat eiser volgens zijn verklaringen op 9 december 2018 Nederland is ingereisd en pas op 21 juni 2019 asiel heeft aangevraagd. De asielaanvraag wordt daarom afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw 2000 in verbinding met artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw 2000. Verweerder verstrekt bij zijn meeromvattende besluit op de asielaanvraag aan eiser geen verblijfsvergunning regulier. Voorts krijgt eiser geen uitstel van vertrek, zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 en moet eiser Nederland onmiddellijk verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. Tot slot krijgt eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar op grond van artikel 66a, tweede lid, onder a van de Vw 2000. Standpunt eiser 6. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Op dat wat hij hierover in beroep specifiek naar voren heeft gebracht zal in het hiernavolgende worden ingegaan. Beoordeling rechtbank Algemeen beoordelingskader bekeerlingen 7. De rechtbank stelt vast dat eisers asielrelaas wat betreft het proces tot bekering tot het christendom uit twee te onderscheiden elementen bestaat. Eiser stelt zich eerst te hebben afgekeerd van de oude religie – de islam – voordat er sprake was van een bekering tot een nieuwe religie – het christendom. Deze bekeringsmomenten zijn als afzonderlijke processen te zien. In Werkinstructie 2019/18 (WI 2019/18) is vermeld dat ten aanzien van de afwending van de oude religie de motieven voor en het proces hiervan hetzelfde worden beoordeeld als bij een bekering tot een andere religie. 8. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de beoordeling van een gestelde bekering in beginsel een vaste gedragslijn toepast. Deze gedragslijn is momenteel vastgelegd in de Werkinstructie 2019/18 Bekeerlingen (hierna: WI 2019/18). Uit deze werkinstructie blijkt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering drie elementen betrekt, te weten: de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de praktische invulling hiervan. Alle drie de elementen worden betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering. De verklaringen van de vreemdeling over deze drie elementen moeten steeds bezien worden in hun onderlinge samenhang, maar ook in het licht van de overige omstandigheden, zoals de overige verklaringen van een vreemdeling en door hem verstrekte gegevens in de eventueel eerdere procedures. Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit ‘compenseren’, mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te ‘compenseren’ (par. 4.1). Volgens WI 2019/18 kan voorts in het algemeen worden gesteld dat het zwaartepunt in de meeste gevallen ligt bij de motieven voor en het proces van bekering. De juistheid van een dergelijk toetsingskader is in algemene zin door de Afdeling bevestigd in onder meer de uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1068). 9. Volgens WI 2019/18 wordt voorts primair gekeken naar de eigen verklaringen van de vreemdeling, maar ook andere informatie in het dossier (zoals verklaringen van derde partijen) wordt bij de beoordeling betrokken. Verklaringen van derden, zoals kerkelijke personen en instanties, worden altijd meegewogen in de beoordeling, en het gewicht dat hieraan wordt toegekend is primair afhankelijk van de individuele casus. Als uitgangspunt geldt dat de vreemdeling zelf overtuigende verklaringen moet afleggen omtrent zijn of haar bekering (par. 4.1.1). 10. Voorts wijst de rechtbank op de uitspraken van de Afdeling van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977 en ECLI:NL:RVS:2021:978). Uit deze uitspraken kan opgemaakt worden dat verweerder, als hij in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling een doorslaggevend gewicht toekent aan ontoereikende verklaringen van een vreemdeling over het element van de motieven voor en het proces van bekering (element 1), kenbaar moet motiveren wat hij vindt van de verklaringen van een vreemdeling over de elementen 2 en 3 (kennis van het nieuwe geloof en in het kader van het nieuwe geloof ontplooide activiteiten) en waarom die verklaringen de ontoereikende verklaringen over element 1 niet kunnen compenseren. Verder volgt uit deze uitspraken dat verweerder ook daadwerkelijk en kenbaar moeten motiveren hoe hij overgelegde verklaringen van derden heeft gewogen in het licht van de door de vreemdeling tegenover hem afgelegde en ongeloofwaardig geachte verklaringen over de gestelde bekering. Bespreking beroepsgronden 11. De rechtbank overweegt allereerst dat de behandeling van het beroep en het doen van uitspraak op dit beroep niet zal worden aangehouden totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de zaken die op 15 september 2021 zijn behandeld en waar onder meer het risico bij terugkeer naar Iran voor afvalligen aan de orde is gekomen. Daargelaten dat onduidelijk is wanneer de Afdeling uitspraak zal doen en daargelaten dat de rechtbank bezwaarlijk de vele beroepen van Iraanse burgers waar afvalligheid en bekering als asielmotieven zijn aangedragen kan aanhouden, is de rechtbank gehouden om zelf tot een analyse en beoordeling van de rechtsvragen en feiten en omstandigheden in elke concrete procedure te komen. Voor zover eiser heeft aangegeven dat indien zijn beroep niet gegrond wordt verklaard om aanhouding wordt verzocht om de uitspraken van de Afdeling af te wachten zal de rechtbank dit verzoek dan ook afwijzen. Bezoek huiskerk afzonderlijk relevant element asielrelaas 12. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het bezoek aan de huiskerkdiensten ten onrechte niet als relevant element heeft aangemerkt. Dit is volgens eiser wel een asielrechtelijk relevant element gelet op het door verweerder gehanteerde beleid. Verweerder heeft het besluit daarom in strijd met Werkinstructie 2014/10 (WI 2014/10) – niet met de van hem te verwachten zorgvuldigheid – voorbereid. 13. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. 14. In het asielbeleid ten aanzien van Iran – neergelegd in paragraaf C7/15 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) – staat in paragraaf 15.3.1 onder b. dat leden van huiskerken die bijeenkomsten bijwonen aangemerkt worden als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. 15. In paragraaf C1/4.4. van de Vc 2000 wordt onder relevante elementen verstaan relevante gestelde gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling en relevante gestelde gebeurtenissen. Verder staat in WI 2014/10 dat een relevant element een feit of omstandigheid is dat of die raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij is van belang om de kern van het asielverzoek te identificeren, welke bestaat uit de feiten, omstandigheden en/of gebeurtenissen die in verband staan met de definitie van vluchtelingschap dan wel vrees voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook is bepaald dat daarbij bedacht dient te worden dat een asielverzoek gebaseerd kan zijn op meerdere elementen, die al dan niet los van elkaar kunnen staan. Het is van belang om de geloofwaardigheid per relevant element te beoordelen. Er dient een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaats te vinden, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang gewogen. 16. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het ten aanzien van eiser uitgebrachte voornemen en het bestreden besluit, het bijwonen door eiser van huiskerkbijeenkomsten, niet als een afzonderlijk relevant element van het asielrelaas heeft aangemerkt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit alleen als relevant element wordt geduid als de bekering als zodanig geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Gelet op het beleid in paragraaf C1/4.4. van de Vc 2000 en WI 2014/10 dient verweerder bij de beoordeling van een asielrelaas eerst de relevante elementen in het asielrelaas vast te stellen en daarna te beoordelen of die elementen geloofwaardig zijn en aanleiding vormen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Het bezoeken van een huiskerk in Iran is, naar het oordeel van de rechtbank, een relevant element, als bedoeld in WI 2014/10, omdat dit in verband met vluchtelingschap staat. Hierbij is van belang dat in paragraaf C7/14.3.1.van de Vc 2000 is bepaald dat verweerder leden van huiskerken die bijeenkomsten bijwonen aanmerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. 17. Door het bijwonen van bijeenkomsten in de huiskerk niet als relevant element te duiden, heeft verweerder het relaas van eiser niet integraal op geloofwaardigheid beoordeeld. Het bestreden besluit komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Uit WI 2014/10 valt af te leiden dat niet is uitgesloten dat de ongeloofwaardigheid van een relevant element binnen een asielrelaas, in de geloofwaardigheid van andere relevante elementen doorwerkt, maar dit neemt niet weg dat verweerder moet motiveren waarom die doorwerking er is. Dit betekent vanzelfsprekend echter ook dat de geloofwaardigheid van een element ook kan doorwerken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de andere elementen. Verweerder zal dus ook uitdrukkelijk moeten motiveren in concrete gevallen waarom dit niet zo is. Indien verweerder, zoals hij op grond van zijn eigen werkinstructie had moeten doen, het bijwonen van diensten van huiskerken als separaat element had geduid, had dit dus een extra motiveringsplicht voor verweerder mee gebracht als hij het element “bekering” niet geloofwaardig acht. Verweerder heeft in het ten aanzien van eiser genomen besluit verzuimd een dergelijke motivering met betrekking tot het huiskerkgang van eiser te verrichten. Een ongeloofwaardig geachte bekering leidt bovendien niet zonder meer tot de conclusie dat ook het deelnemen aan huiskerkbijeenkomsten ongeloofwaardig is. Indien het bijwonen door eiser van de huiskerkbijeenkomsten geloofwaardig zou worden geacht, zou dit een zelfstandige grond voor vervolging kunnen opleveren. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser aanwezig is geweest bij dergelijke huiskerkbijeenkomsten maar dat, omdat zijn bekering ongeloofwaardig is geacht, hieruit niet meer valt af te leiden dan dat eiser wellicht enige interesse had in deze huiskerk. Deze motvering volstaat dus niet. 18. Verweerder had het geloofwaardig geachte deelnemen aan diensten van een huiskerk als separaat element moeten duiden en als zodanig moeten betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder had bovendien zijn eigen beleid, zoals hiervoor benoemd, met betrekking tot vluchtelingschap voor leden van huiskerken kenbaar moeten beoordelen. Verweerder heeft dit niet gedaan. Het beroep van eiser is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit zal reeds hierom worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Omdat het geconstateerde gebrek tot gevolg heeft dat verweerder een nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zal moeten uitvoeren waarbij nader onderzoek nodig is, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om met betrekking een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Geloofwaardigheidsbeoordeling bekering tot het christendom 19. Verweerder heeft de door eiser gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig bevonden en daarbij eiser – verkort weergegeven – het volgende tegengeworpen. Motieven en proces van bekering 20. Eiser heeft volgens verweerder wisselend verklaard over sinds wanneer hij zichzelf als christen beschouwt. In het aanmeldgehoor wordt verklaard dat hij zichzelf sinds 16 maart 2019 als christen beschouwt en in het nader gehoor wordt verklaard dat hij op 15 maart 2018 tot christen bekeerd is. Voorts heeft eiser niet overtuigend verklaard over zijn motieven om te bekeren. Uit eisers verklaringen blijkt vooral dat eiser de behoefte heeft gehad om [naam] te volgen vanwege de hulp van [naam] bij zijn drugsverslaving en omdat [naam] christen was besloot eiser zich ook te bekeren. Ook weet eiser niet concreet te verklaren over waarom hij de hulp van [naam] bij zijn verslaving en het succes dat dit met zich meebracht koppelt aan het christendom. De verklaringen die eiser hierover heeft afgelegd zijn vaag en algemeen van aard. Niet gebleken is welke rol het christendom heeft gespeeld in het gemotiveerder voelen. Eiser weet niet inzichtelijk te maken waarom hij persoonlijk Jezus Christus zag in [naam] . De redenen waarom eiser Jezus Christus terug zag in [naam] zijn, anders dan eiser in zijn zienswijze stelt, volgens verweerder veel profaner van aard, nu eiser heeft verklaard dat [naam] ‘zeer aardig was, een sterke persoonlijkheid had, een pak droeg en ontwerper was van ons bedrijf’. De door eiser afgelegde verklaringen hierover zijn vaag en summier. Hierbij is mede van belang dat eiser heeft verklaard dat hij destijds niet veel van het christendom afwist. Des te opvallender is dat eiser zo snel eigenschappen van [naam] koppelt aan het christendom. Dat [naam] een christen was, voor eiser bad en lofliederen sprak – zoals eiser verklaart – is hiertoe onvoldoende. Voorts heeft eiser vaag en summier verklaard over wat hem binnen het christendom het meest aansprak. Hij heeft niet inzichtelijk weten te maken waarom juist liefde en genegenheid hem binnen het christendom het meest aanspreken. Eiser betrekt zijn antwoord enkel op de persoon [naam] en is niet in staat gebleken om te verklaren over waarom liefde en genegenheid voor hem zo belangrijk zijn geweest binnen het christendom. Dit mag wel van eiser worden verwacht, nu verweerder ook van iemand die het moeilijk vindt zijn gedachten en gevoelens te abstraheren verlangd en verwacht dat hij persoonlijk kan verklaren over belangrijke aspecten in zijn relaas. Naastenliefde is voorts niet voorbehouden aan het christendom alleen, van eiser mag daarom verwacht worden dat hij kan verklaren waarom hij deze waarden zelf waardeert in het christendom en waarom dit zijn innerlijke overtuiging met betrekking tot het christendom sterkt. Daarnaast heeft eiser nagelaten concreet en gedetailleerd te verklaren over wat zijn bekering tot het christendom heeft opgeleverd. Met zijn verklaringen heeft hij niet aannemelijk weten te maken waarom juist zijn bekering tot het christendom de door hem gestelde liefde heeft opgeleverd. Zijn verklaringen op dit vlak zijn algemeen en summier van aard, en hij weet deze relatie niet te concretiseren. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard dat hij via [naam] heeft geleerd wat liefde is. Hieruit blijkt dat niet het christendom hem liefde heeft opgeleverd, maar de persoon [naam] daarvoor verantwoordelijk is. Eiser moet ook los van [naam] kunnen overtuigen met betrekking tot de vraag waarom liefde voor hem zo belangrijk is als christen. Over zijn doop overweegt verweerder dat er op zichzelf waarde aan wordt toegekend aan het feit dat hij is gedoopt, maar dat eiser niet inzichtelijk heeft weten te maken wat dit voor hem heeft opgeleverd. Gevraagd naar een nadere toelichting heeft eiser aangegeven dat hij in een land leeft waar het gebruik van verdovende middelen is toegestaan, maar dat hij dit niet meer wil en dat hij trainer is geworden van een sportclub. Eiser heeft er geen blijk van gegeven dat hij concreet kan verklaren waarom zijn doop eraan heeft bijgedragen dat hij zich nu op deze wijze verlost voelt. Kennis 21. Ten aanzien van zijn kennis heeft verweerder erkend dat eiser blijk heeft gegeven over enige kennis over het christendom te beschikken, nu eiser een Bijbels verhaal heeft genoemd, de strekking hiervan heeft toegelicht en dit weet te koppelen aan zijn persoonlijke situatie. Eiser geeft hiermee echter niet blijk van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Hiertoe is van belang dat eiser heeft nagelaten overtuigend te verklaren aangaande zijn motieven voor zijn bekering. Eiser is niet in staat gebleken zijn motieven om zich te bekeren tot het christendom persoonlijk en concreet te maken. Eisers verklaringen zijn niet dermate duidelijk, uitgebreid, diepgravend, persoonlijk en overtuigend dat deze de gebrekkige verklaringen ten aanzien van de overige elementen kunnen compenseren. Activiteiten 22. Over zijn activiteiten heeft eiser volgens verweerder aangegeven dat hij in Iran Bijbelstudies heeft gevolgd en aanwezig is geweest bij en tijdens diensten van huiskerken. Verder heeft hij verteld dat hij in Nederland bidt, maar dat hij niet de Bijbel leest omdat hij die op dat moment nog niet had. Ook heeft eiser verklaard dat hij nog niet naar de kerk is geweest in Nederland. Tenslotte heeft eiser verklaard dat eiser op 15 maart 2020 is gedoopt en hij heeft hiertoe een doopakte overgelegd. Aldus geeft eiser blijk van het verrichten van activiteiten – en dit acht verweerder ook geloofwaardig. Eiser geeft hiermee echter niet blijk van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Volgens verweerder weet eiser niet inzichtelijk te maken waarom hij deze activiteiten persoonlijk belangrijk vindt. De verklaringen die hij hierover aflegt zijn vaag en summier. Hierbij betrekt verweerder dat eiser vanwege zijn verhuizingen en beperkte kennis van de Nederlandse taal zijn verdiepingsmogelijkheden aangaande zijn geloof te midden van Nederlandse christenen hebben beperkt. Dit laat onverlet dat van eiser verwacht mag worden dat hij als bekeerde christen helder kan verwoorden waarom hij bepaalde activiteiten onderneemt en hoe die in relatie staan tot zijn geloof. Over de doop heeft eiser niet overtuigend weten te verklaren waarom hij dit persoonlijk zo belangrijk vindt. Dat eiser heeft verklaard dat de doop hem rust heeft gegeven vindt verweerder onvoldoende, nu eiser ook verklaard heeft dat de bekering hem al rust had opgeleverd en hij onvoldoende inzichtelijk weet te maken waarom hij zich desondanks onrustig voelde in de periode voorafgaand aan de doop. Met de overgelegde doopakte weet eiser niet alsnog aannemelijk te maken dat sprake is van een oprechte bekering. Nu eisers verklaringen over de achterliggende redenen van zijn activiteiten als onvolkomen worden gezien kunnen daarom zijn onvoldoende verklaringen over zijn bekeringsmotieven- en proces niet compenseren. Standpunt eiser 23. Eiser kan zich niet vinden in de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder. Ten onrechte heeft verweerder zich volgens eiser op het standpunt gesteld dat eiser niet duidelijk is geweest over zijn precieze datum van bekering, dat eiser geen inzicht zou hebben gegeven in zijn motieven voor de bekering en hoe het bekeringsproces zich precies heeft voltrokken. Eiser voert aan dat het een passieve bekering betreft nu deze is ontstaan toen hij in een diep dal in zijn leven zat en [naam] hem met het christendom in aanraking gebracht had. Eiser ziet dit als een wonder. Verweerder heeft bij zijn beoordeling onvoldoende acht geslagen op deze passieve aard van het bekeringsrelaas van eiser. Voorts heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het zwaartepunt ligt bij zijn bekeringsproces. Deze laatste opvatting is in strijd met de uitspraken van de Afdeling van 12 mei 2021. Door zijn passieve bekering kon eiser beperkt actief zijn in de beleving van zijn geloof en voorts heeft verweerder de kennis over het geloof niet op de juiste wijze meegenomen in de beoordeling. Beoordeling rechtbank 24. Zoals hiervoor door de rechtbank is vastgesteld heeft verweerder het bijwonen van diensten van de huiskerk ten onrechte niet als zelfstandig element benoemd. Echter ook indien verweerder dit wel zou mogen beschouwen als “slechts” een onderdeel van het element “bekering”, heeft te gelden dat verweerder kenbaar moet beoordelen waarom dit niet leidt tot het geloofwaardig achten van de bekering. Dit geldt ook voor de geloofwaardig geachte afvalligheid. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser afvallig is en acht geloofwaardig dat hij in Iran diensten van huiskerken bijwoonde, maar acht -zonder deze twee aspecten van het relaas van eiser uitdrukkelijk te benoemen- niet geloofwaardig dat eiser is bekeerd. Indien verweerder de afvalligheid van een vreemdeling niet geloofwaardig acht zal hij dit doorgaans ten nadele van de vreemdeling betrekken bij de beoordeling van een gestelde bekering. In het onderhavige geval zal verweerder dus kenbaar moeten motiveren waarom de geloofwaardig geachte afvalligheid niet ten voordele van de vreemdeling tot ondersteuning leidt van de gestelde bekering. De rechtbank acht de toelichting ter zitting van verweerder dat het bijwonen van huiskerkdiensten door eiser niets zegt over een bekering omdat dit geloofwaardig geachte bijwonen ook op “algemene interesse” in deze huiskerkbijeenkomsten kan duiden, onbegrijpelijk. Het bijwonen van huiskerkbijeenkomsten en het deelnemen aan huiskerkgroepen heeft verweerder specifiek in zijn landenbeleid over Iran geduid omdat wordt aangenomen dat dit ernstige risico’s met zich brengt. De rechtbank acht het buitengewoon onwaarschijnlijk dat iemand in Iran vervolging zou riskeren enkel vanwege “algemene interesse” in dit soort bijeenkomsten zonder dat deze deelname aan de huiskerkbijeenkomsten specifiek betrekking heeft op het bekeerd zijn op of motieven om zich mogelijk te willen bekeren. Waar verweerder in de regel tegenwerpt dat het onwaarschijnlijk is dat iemand het risico neemt om deel te nemen aan huiskerkbijeenkomsten, acht verweerder dit in de onderhavige procedure wel geloofwaardig, maar werpt dan tegen dat eiser dit ook vanuit algemene interesse in plaats vanuit een geloofsovertuiging kan hebben gedaan. De beoordeling door verweerder van de gestelde bekering kan dan ook reeds geen stand houden omdat verweerder de geloofwaardig geachte afvalligheid en het geloofwaardig geachte bijwonen van bijeenkomsten van huiskerken hierbij niet kenbaar heeft betrokken. Deze overweging van de rechtbank staat dus los van het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bijwonen van de huiskerkbijeenkomsten als separaat element had moeten aanmerken. Beide overwegingen zijn zelfstandige redenen om het besluit te vernietigen. 25. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over “de datum” van zijn bekering. Dit is de enige tegenstrijdigheid die verweerder in het (uitvoerige) relaas van eiser heeft geduid. Zoals ter zitting besproken acht de rechtbank “een datum” niet van doorslaggevend belang als verweerder een “proces van bekering” moet beoordelen op geloofwaardigheid. Het doormaken van een proces duidt immers op een ontwikkeling in geloofsbeleving, ervaringen, het opdoen van kennis en het ontplooien van activiteiten in en vanuit een geloofsgemeenschap. Eiser heeft gedetailleerd verklaard in welke levensfase en onder welke omstandigheden hij ontvankelijk is geraakt voor de geloofsovertuigingen van een derde. Die omstandigheden zijn relevant omdat eiser hiermee aangeeft hoe zijn proces van bekering is gestart. Verweerder miskent dit en beperkt zich tot het benoemen dat eiser twee verschillende data noemt in deze beginfase van zijn geloofsontwikkeling. Eiser heeft uitgelegd hoe hij met deze persoon in aanraking kwam, wat zijn verhouding tot hem was en waarom juist op dat moment in zijn leven hij open stond voor het aannemen van een geloof nadat hij eerder afvallig was geworden ten aanzien van het geloof waarin hij is opgegroeid en waarmee hij is opgevoed. Eiser heeft in de gronden van beroep nader geduid dat hij zijn bekering als een zogenaamde “passieve bekering” beschouwt. De vraag “ op welke datum heeft u zich bekeerd? ” is onder deze omstandigheden een vraag die niet past bij “het authentieke relaas” van eiser. Eiser heeft nadat de vraag meerdere malen is gesteld wisselende verklaringen afgelegd. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser om nadere uitleg te vragen waarom hij verschillende data noemt. Verweerder had dienen te verifiëren of eiser vindt dat hij zich “op een bepaalde datum” heeft bekeerd of dat hij vindt dat hij hierin een proces heeft doorgemaakt. Indien verweerder dan aan eiser voorhoudt dat hij verschillende feiten beschrijft als hem wordt gevraagd “wanneer” hij zich heeft bekeerd kan eiser dit ook nader toelichten. Verweerder dient op die wijze invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht omdat verweerder actief moet onderzoeken of eiser internationale bescherming behoeft. Nu eiser uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over verschillende fases in het proces dat hij heeft doorlopen, dient verweerder in het gehoor eiser er op te wijzen dat het tegenstrijdig lijkt dat hij verschillende omstandigheden en dus ook verschillende data benoemt in plaats van dit enkel in de beoordeling van het relaas als tegenstrijdigheid te duiden en dit dus tegen te werpen. Dit geldt temeer als, zoals in de onderhavige procedure, de grote lijnen van het relaas consistent zijn, verweerder het relaas met betrekking tot de afvalligheid en de huiskerkdiensten geloofwaardig acht, verweerder feitelijk vaststelt dat eiser over kennis over het christendom beschikt en ook geloofsgerelateerde activiteiten verricht en verder “enkel” wordt tegengeworpen dat het relaas summier en vaag is en eiser niet goed genoeg in staat is te benoemen wat “zijn persoonlijke beleving” bij alle fases in zijn geloofsontwikkeling is. 26. Verweerder heeft voorts in strijd met zijn werkinstructie, zoals ook blijkt uit de recente jurisprudentie van de Afdeling, de zogenaamde tweede en derde pijler verkeerd beoordeeld en verkeerd gewogen. Verweerder stelt zich in de kern op het standpunt dat uit het hebben van kennis over het christendom en het verrichten van geloofsgerelateerde activiteiten niet blijkt van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. De rechtbank overweegt dat die tweede en derde pijler nu net een asielrelaas kunnen ondersteunen als de vreemdeling niet genoegzaam zou kunnen verklaren en daarom uit de verklaringen over het proces van en de motieven voor bekering niet blijkt van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Het hebben van kennis en het ontplooien van activiteiten is dus een manier om in aanvulling op het (kunnen) verklaren over gedachten en gevoelens over het (willen) aanhangen van het christelijke geloof met kennis en feiten te onderbouwen dat er sprake is van een oprechte bekering. De rechtbank overweegt dat nu verweerder zich op het standpunt stelt dat het relaas summier en vaag is juist de tweede en derde pijler deze verklaringen wellicht kunnen compenseren. Doordat verweerder “vereist” dat uit de kennis over het christendom en het verrichten van geloofsgerelateerde activiteiten een diepgewortelde innerlijke overtuiging moet blijken, maakt verweerder het beoordelen en wegen van de zogenaamde tweede en derde pijler in aanvulling op de eerste pijler bovendien zinledig. Indien immers reeds uit de tweede of derde pijler blijkt dat sprake is van een dergelijke diepgewortelde overtuiging, zal een gestelde bekering geloofwaardig worden geacht en is de eerste pijler in het geheel niet relevant. Verweerder maakt het de vreemdeling, indien hij aan de tweede en derde pijler de maatstaf aanlegt zoals hij dat in deze procedure heeft gedaan, onmogelijk om zijn relaas zoals dat wordt beoordeeld in de eerste pijler te onderbouwen met de tweede en derde pijler. Verweerder heeft een onjuist toetsingskader gehanteerd bij het beoordelen en het wegen van de verklaringen van eiser die betrekking hebben op de tweede en derde pijler van de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook deze vaststelling door de rechtbank leidt op zichzelf tot de conclusie dat het besluit moet worden vernietigd. Geloofwaardigheidsbeoordeling problemen als gevolg van de bekering tot het christendom 27. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen als gevolg van de bekering tot het christendom ongeloofwaardig bevonden en daarbij eiser – verkort weergegeven – het volgende tegengeworpen. In de eerste plaats doet de ongeloofwaardig geachte bekering volgens verweerder reeds afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat geen sprake is van een toegedichte bekering, nu eiser zichzelf immers als christen ziet. Voorts heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk weten te maken dat er op 29 november 2018 een inval was in het bedrijf waar hij werkzaam was vanwege de aldaar georganiseerde huiskerkdiensten. De verklaringen van eiser zijn gebaseerd op vermoedens. De enkele omstandigheid dat de inval na sluitingstijd heeft plaatsgevonden, maakt niet aannemelijk dat de inval heeft plaatsgevonden vanwege de huiskerkdiensten die daar zouden worden georganiseerd. Daarbij komt dat eiser verklaard heeft over de inval te hebben vernomen via [naam 2] , terwijl eiser ook over [naam 2] heeft verklaard dat hij niet wist dat de huiskerkdiensten in het bedrijf plaatsvonden en dat hij daarbij dus niet aanwezig was. Ook met zijn overige verklaringen heeft eiser niet concreet weten te verklaren over het verband tussen de inval en de huiskerkdiensten. Eiser heeft verder vaag en summier verklaard over waarom de Iraanse inlichtingendienst naar hem op zoek zou gaan. De enkele verklaring dat hij verder niets verkeerd heeft gedaan, dus dat het wel zijn deelname aan de huiskerkdiensten moet zijn, is niet concreet en gedetailleerd. Verweerder acht dit verband daarom onvoldoende aangetoond. Verder is gebleken dat eiser op legale wijze het land heeft verlaten en daarbij zelfs te zijn gecontroleerd en daarbij geen problemen heeft ondervonden. Niet valt in te zien dat hij enerzijds door de Iraanse veiligheidsdiensten wordt gezocht maar dat hij anderzijds nadien zonder problemen legaal Iran heeft kunnen verlaten. Daarbij betrekt verweerder dat uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt dat er soms een vertraging in het systeem zit van enkele dagen voordat systemen van de diensten bijgewerkt zijn, terwijl in eisers geval tussen de inval en het vertrek van eiser een week zit. Tenslotte merkt verweerder op dat eiser ruim zes maanden in Nederland heeft verbleven alvorens hij hier te lande asiel heeft aangevraagd. Niet valt in te zien dat eiser, terwijl hij vlucht uit zijn land van herkomst vanwege persoonlijke vrees voor vervolging, ruim zes maanden wacht alvorens hij elders om internationale bescherming verzoekt. 28. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de mogelijkheid van problemen in het land van herkomst als gevolg van een toegedichte bekering niet op de juiste merites heeft ingeschat. Als verweerder wel gelooft dat eiser een afvallige moslim is, maar niet gelooft dat hij christen is geworden, dan kan eiser door derden worden toegedicht dat hij christen is. De geloofwaardigheid van het tweede element heeft gevolgen voor de problemen als gevolg van de bekering. Verweerder heeft de beoordeling van mogelijke problemen als gevolg van een toegedichte bekering niet naar de toekomst toe beoordeeld. Verweerder heeft onvoldoende beoordeeld hoe eiser zich staande zal kunnen houden bij terugkeer in Iran nu hij zichzelf niet langer als moslim beschouwt. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij deze overtuiging verborgen houdt. Dit kan leiden tot negatieve aandacht van medeburgers en autoriteiten in Iran. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zijn besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het wel logisch is dat eiser een verband heeft gelegd tussen de inval van inlichtingendiensten en de huiskerkdiensten nu de huiskerkdiensten na sluitingstijd van het kantoor heeft plaatsgevonden en dit door verweerder niet wordt betwist. Verweerder heeft ten slotte niet deugdelijk gemotiveerd waarom het bevreemdt dat een legale uitreis mogelijk was. Hij had navraag moeten doen bij de Minister van Buitenlandse zaken naar de precieze betekenis van de betreffende passage uit het ambtsbericht. Beoordeling rechtbank 29. De tegenwerping dat geen sprake is van een oprechte bekering kan bij de motivering zoals die in het besluit is gegeven geen stand houden. Hieraan komt dus geen betekenis toe bij het beoordelen van de gestelde problemen die eiser heeft gehad ten gevolge van de bekering. Eiser heeft verder terecht aangevoerd dat verweerder een onjuiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling of eiser risico bij terugkeer loopt vanwege een “toegedichte bekering”. Verweerder heeft immers overwogen dat van een toegedichte bekering geen sprake kan zijn als eiser zichzelf als oprecht bekeerd beschouwt. De rechtbank kan dit zonder nadere motivering niet volgen. Dat eiser zichzelf als bekeerd beschouwt, wat verweerder niet geloofwaardig acht, laat onverlet dat de autoriteiten in Iran en/of anderen derden dit mogelijk wel geloofwaardig kunnen achten en dat verweerder hierbij in ieder geval had moeten betrekken dat geloofwaardig is geacht dat eiser afvallig is. Ook als eiser niet bekeerd zou zijn, of wanneer dit niet geloofwaardig wordt geacht maar in Iran hem wordt toegedicht dat hij is bekeerd, loopt eiser wellicht risico’s. Verweerder heeft de strekking van de argumenten van eiser over het risico dat hij bij terugkeer zal lopen miskend en daarmee onvoldoende betrokken bij het beoordelen van het risico bij terugkeer. 30. Verweerder heeft voorts overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft weten te maken dat er op 29 november 2018 een inval was in het bedrijf waar hij werkzaam was vanwege de aldaar georganiseerde huiskerkdiensten. Verweerder heeft de inval als zodanig niet betwist, maar verlangt van eiser “bewijs” wat de reden van de inval was. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee te hoge eisen stelt aan eiser om zijn relaas aannemelijk te maken. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser heeft deelgenomen aan huiskerkbijeenkomsten die plaatsvonden in het bedrijf waar eiser werkte. Eiser heeft verklaard dat deze bijeenkomsten na sluitingstijd plaatsvonden en dat hij daarom vermoedt dat de inval heeft plaatsgevonden vanwege de huiskerkdiensten. Verweerder werpt tegen dat dit “slechts vermoedens” zijn. Niet valt in te zien hoe eiser dit nader kan onderbouwen. Van eiser, waarvan verweerder geloofwaardig acht dat hij op

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...