Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2021:11115

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2021-07-29
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL21.8894 en NL21.8895
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.213 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Polen, LHBTI

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.8894 (beroep) en NL21.8895 (voorlopige voorziening) [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.W. van Deel). Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingesteld. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 juli 2021 met behulp van een Skypeverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mr. R. Shenouda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Egyptische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1991. Uit Eurodac blijkt dat hij op 29 januari 2020 in Polen en op 6 september 2020 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 22 maart 2021 heeft hij in Nederland een asielverzoek ingediend. 2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek op 15 april 2021 aanvaard. 3. 1 Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Polen niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft als homoseksueel een kwetsbare positie in Polen waar sprake is van een steeds openlijker en explicieter gevoerd anti-LHBT-beleid. Eiser heeft verklaard dat hij in de opvangvoorziening door andere asielzoekers in elkaar is geslagen nadat zij erachter kwamen dat hij homoseksueel was. De politie is naar aanleiding van dit incident ter plaatse gekomen, maar heeft eiser niet geholpen. Hij heeft daarop de opvang moeten verlaten. De politie heeft ook geweld tegen eiser gebruikt, hem geboeid en tegen hem gezegd dat hij niet moet denken dat het goed zal komen met hem. Ook heeft eiser ter zitting verklaard dat hij tijdens zijn gehoor in Polen heeft gezegd dat hij zich op dat moment niet vrij voelde om te vertellen over zijn geaardheid, omdat de president van Polen zelf aangeeft dat LHBT’ers niet in Polen onder hen mogen wonen. Daarop werd tegen eiser gezegd dat hij zo niet mag praten over de president. 3.2 Eiser meent dat hij onvoldoende mogelijkheden heeft om in Polen voldoende rechtsbescherming te krijgen, mede gelet op de zorgelijke recente omstandigheden ten aanzien van de onafhankelijkheid van de Poolse rechters. Eiser beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 28 april 2021. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser ook informatie van Vluchtelingenwerk Nederland, van 4 mei 2021 overgelegd. Oordeel rechtbank 4.1 Vaststaat dat in Polen diverse ontwikkelingen gaande zijn waaruit kan worden opgemaakt dat er zorgen zijn (vanuit de Europese Commissie, diverse lidstaten en ook vanuit Poolse inwoners zelf) aangaande de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Gelet op de hervormingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd en die voor de Europese Commissie aanleiding zijn geweest om diverse EU-instrumenten in te zetten, kunnen die zorgen ook als ernstig worden aangemerkt. De rechtbank volgt eiser dan ook in het standpunt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen minstens ernstig onder druk staat. Deze vaststelling brengt echter niet met zich dat alleen hierom al geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van een dusdanig ernstige tekortkoming in de asielprocedure dat gevreesd moet worden dat eiser een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of een vernederende behandeling of dat overdracht aan Polen anderszins uitgesloten moet worden geacht. Niet gezegd kan worden dat de situatie in Polen dusdanig is dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest . Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2020 naar aanleiding van het L.M.-arrest kan in het vreemdelingenrecht alleen in het geval van bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 4.2 De rechtbank stelt echter ook vast dat verweerder de verklaringen van eiser over de problemen die hij in Polen ervaren heeft vanwege zijn homoseksuele geaardheid, niet heeft betwist. Verweerder heeft hier enkel tegenover gesteld dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo niet wordt gehaald, omdat geen sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling van iedere terugkerende LHBT’er in Polen. De rechtbank vindt deze motivering niet voldoende. Er bestaan grote zorgen over de vraag of de universele mensenrechten van leden van de LHBTI-gemeenschap in Polen nog wel worden gerespecteerd. Dit bezien in combinatie met de vaststelling dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen minstens ernstig onder druk staat, maakt dat er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat eiser vanwege zijn seksuele geaardheid een reëel gevaar loopt dat het grondrecht op toegang tot een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM. De onbetwiste verklaringen van eiser over de problemen die hij ervaren heeft, bieden bovendien aanknopingspunten voor de juistheid van deze stelling. Verweerder heeft dit met zijn enkele verwijzing naar de lat uit het arrest Jawo, onvoldoende onderkend. Conclusie 5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 6. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank al op het beroep heeft beslist. Ten aanzien van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening 7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.244,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak NL21.8894: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; De voorzieningenrechter, in de zaak NL21.8895: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af De rechtbank, in beide zaken: - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.244,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.S. Kempers, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 29 juli 2021 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verordening (EU) 604/2013. ECLI:NL:RBNNE:2021:1689. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met ECLI:NL:RVS:2019:282. Hof van Justitie van de Europese Unie, L.M. tegen Ierland van 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:586. ECLI:EU:2019:218.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...