Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2020:7683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2020-07-15
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL20.8467
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
4.414 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin België, eiser heeft intussen een asielaanvraag in Oostenrijk gedaan, gemachtigde heeft geen contact meer gehad, niet-ontvankelijk.

05Kern

Materiële kern

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8467 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.N. van der Ham), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. L. Verheijen). Procesverloop Bij besluit van 6 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard. In zijn bericht van 8 juli 2020 heeft verweerder naar voren gebracht dat de Oostenrijkse autoriteiten bij bericht van 2 juli 2020 Nederland hebben verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Uit het claimverzoek blijkt dat eiser op 28 juni 2020 in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder concludeert hieruit dat eiser Nederland heeft verlaten. Bij brief van 8 juli 2020 heeft Nederland het terugnameverzoek afgewezen. 3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Uit het bericht van verweerder van 8 juli 2020 blijkt dat eiser op 28 juni 2020 een asielaanvraag heeft ingediend in Oostenrijk. Eiser is dus kennelijk, nadat hij beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, uit Nederland vertrokken en naar Oostenrijk gegaan. Eiser is niet ter zitting verschenen, de gemachtigde van eiser heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij sinds het instellen van het beroep geen contact meer heeft gehad met eiser. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. 4. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel vanuit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In deze situatie ziet de rechtbank geen aanleiding om daar anders over te oordelen, nu eiser niet ter zitting is verschenen en de gemachtigde ter zitting heeft verklaard geen contact meer met eiser te hebben gehad. 5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op: 15 juli 2020 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...