ECLI:NL:RBDHA:2020:12276
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2020-12-02
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Uitspraak enkel vanwege proceskostenveroordeling – verweerder ziet volstrekt over het hoofd dat het beroep is ingetrokken juist omdat verweerder aan het beroep is tegemoet gekomen - kennelijk gegrond. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder (alsnog) zijn asielaanvraag heeft ingewilligd en hem bij separaat besluit alsnog de maximale dwangsom heeft toegekend. Verweerder heeft hiermee niet alleen erkend dat de beslistermijn was verstreken, maar ook hij in eerste instantie heeft nagelaten de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Deze vaststelling dient overigens normaliter op grond van artikel 4:18 van de Awb al te worden vastgesteld binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. Hierbij komt nog dat verweerder ter motivering van zijn standpunt waarom hij zich verzet tegen toewijzing van de proceskosten, ook verwijst naar zowel het feit dat inmiddels een asielbesluit is genomen en de maximale dwangsom is toegekend, als naar het feit dat het beroep, waarbij geen belang meer is, is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank ziet verweerder hierbij volstrekt over het hoofd dat het beroep is ingetrokken juist omdat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen. De rechtbank geeft verweerder mee artikel 8:75a van de Awb nog eens goed na te lezen voordat hij zich in vergelijkbare zaken schriftelijk verzet tegen toewijzing van de proceskosten en niet al eigener beweging overgaat tot vergoeding hiervan.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9584 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1960 te Damascus (Syrië) en van onbekende nationaliteit, eiser V-nummer [nummer] (gemachtigde: mr. K. Yousef), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Raak). Procesverloop Eiser heeft op 28 april 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft bij besluit van 14 oktober 2020 de aanvraag van eiser ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiser heeft zijn beroep niet ingetrokken omdat verweerder in het besluit van 14 oktober 2020 heeft verzuimd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Op 19 november 2020 heeft verweerder alsnog een dwangsombesluit genomen. Daarbij is aan eiser de maximale bestuurlijke dwangsom van €1.442,- toegekend. Hierop heeft eiser op 24 november 2020 zijn beroep ingetrokken en verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten. Desgevraagd heeft verweerder op 27 november 2020 bericht dat hij zich verzet tegen toewijzing van de proceskosten. Eiser heeft hierop op 28 november 2020 gereageerd. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. 3. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 14 oktober 2020 zijn aanvraag heeft ingewilligd en hem bij separaat besluit van 19 november 2020 alsnog de maximale dwangsom heeft toegekend. Verweerder heeft hiermee niet alleen erkend dat de beslistermijn was verstreken, maar ook hij in eerste instantie heeft nagelaten de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Deze vaststelling dient overigens normaliter op grond van artikel 4:18 van de Awb al te worden vastgesteld binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. 4. Hierbij komt nog dat verweerder in zijn brief van 27 november 2020, ter motivering van zijn standpunt waarom hij zich verzet tegen toewijzing van de proceskosten, ook verwijst naar zowel het feit dat inmiddels een asielbesluit is genomen en de maximale dwangsom is toegekend, als naar het feit dat het beroep, waarbij geen belang meer is, is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank ziet verweerder hierbij volstrekt over het hoofd dat het beroep is ingetrokken juist omdat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen. De rechtbank geeft verweerder mee artikel 8:75a van de Awb nog eens goed na te lezen voordat hij zich in vergelijkbare zaken schriftelijk verzet tegen toewijzing van de proceskosten en niet al eigener beweging overgaat tot vergoeding hiervan. 5. De rechtbank wijst het verzoek van eiser als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het instellen van het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,-, met een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 262,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...