ECLI:NL:RBDHA:2020:10437
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2020-10-19
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bulgarije Statushouders – verweerder moet zich nader vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten - einduitspraak om aanstonds en uitdrukkelijk hoger beroep mogelijk te maken. Eisers, een vrouw met vier (inmiddels) meerderjarige kinderen, hebben een vluchtelingenstatus in Bulgarije. Onder verwijzing naar hun eigen relazen en actuele landeninformatie betogen zij dat zij in Bulgarije geen identiteitsdocument kunnen verkrijgen omdat ze geen woonruimte hebben en geen woonruimte kunnen krijgen omdat ze geen identiteitsbewijs kunnen krijgen. Bulgarije heeft bovendien (ook) in strijd met de Kwalificatierichtlijn al zeven opvolgende jaren geen enkele integratievoorziening voor statushouders aldus eisers. Verweerder heeft zijn bestreden besluiten en reactie op de beroepsgronden enkel gemotiveerd door te verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 en 30 mei 2018. Deze wijze van motiveren volstaat niet. Verweerder moet zelf een zorgvuldige beoordeling maken van de vraag of in de onderhavige procedure ten aanzien van eisers kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en moet daarbij inhoudelijk ingaan op de argumenten en onderbouwing van eisers. Verweerder kan zich niet beperken tot de vaststelling dat de Afdeling nog nooit heeft overwogen dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als het om vreemdelingen gaat aan wie Bulgarije een status heeft verleend. De rechtbank betrekt alle gepubliceerde uitspraken van de Afdeling ten aanzien van statushouders uit Bulgarije bij haar uitspraak, alsmede de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 ten aanzien van bijzonder kwetsbare statushouders uit Hongarije. De rechtbank concludeert dat de besluiten ontoereikend zijn gemotiveerd en dat gelet op alle beschikbare actuele informatie over de juridische en feitelijke positie van statushouders, waaruit gedurende geruime tijd steevast hetzelfde beeld naar voren komt, verweerder zijn besluiten alleen nader kan motiveren door zich te vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten. De rechtbank doet een einduitspraak in plaats van een tussenuitspraak om zodoende verweerder uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen hoger beroep in te stellen omdat verweerder zich uitsluitend heeft gebaseerd op de jurisprudentie van de Afdeling.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: NL20.15181; NL20.15183; NL20.15188 en NL20.15194 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1988, eiser, V-nummer: [V-nummer] , [eiseres 1] , geboren op [geboortedag] 1963, eiseres (1), V-nummer: [V-nummer] , [eiseres 2] , geboren op [geboortedag] 2000, eiseres (2), V-nummer: [V-nummer] , en [eiseres 3] , geboren op [geboortedag] 2000, eiseres (3), V-nummer: [V-nummer] , allen van Syrische nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Peeters). Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 6 augustus 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers hebben tegen de bestreden besluiten op 7 augustus 2020 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat eisers in ieder geval niet worden uitgezet voordat hun beroepen zijn behandeld door de rechtbank. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder zaaknummers NL20.15182; NL20.15184; NL20.151889 en NL20.15195. Op 7 september 2020 hebben eisers verzocht ordemaatregelen te treffen om te voorkomen dat hen de toegang tot opvang en verstrekkingen zou worden ontzegd en daarbij aangegeven dat dit verzoek is gedaan tegen het Coa AZC Budel omdat hen te verstaan was gegeven dat zij de opvang dienden te verlaten. Bij uitspraak van 7 september 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, in de verzoeken met bovengenoemde zaaknummers bij wijze van ordemaatregel bepaald dat het verweerder verboden is verzoekers uit te zetten totdat op hun verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. In deze uitspraak is, hoewel dit niet is bepaald in het dictum terwijl het verzoek om een ordemaatregel uitsluitend zag op de mogelijke beëindiging van de opvang, expliciet overwogen dat het recht op verstrekkingen, waaronder opvang, tevens op grond van artikel 5 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 blijft bestaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers zijn afkomstig uit Kobani in Syrië en hebben in 2013, 2014 of 2015 hun land van herkomst verlaten. Uit onderzoek in Eurodac (Europese Dactyloscopie) in samenhang bezien met een schrijven van de Bulgaarse autoriteten blijkt dat zij in Bulgarije op 10 mei 2017 verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend en dat aan eisers door Bulgarije op 11 augustus 2017 internationale bescherming is verleend. Uit dit onderzoek is voorts gebleken dat eisers op 27 september 2017 verzoeken om internationale bescherming in Duitsland hebben ingediend, dat de Duitse autoriteiten deze asielverzoeken op 10 november 2017 niet-ontvankelijk hebben verklaard omdat zij reeds in Bulgarije internationale bescherming genieten en dat de betreffende beschikkingen op 29 mei 2019 rechtsgeldig zijn geworden. In april 2020 zijn eisers door Duitsland uitgezet naar Bulgarije. Op 26 juni 2020 zijn eisers Nederland binnengekomen. Op 27 juni 2020 hebben eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet‑ontvankelijk verklaard omdat aan hen door de Bulgaarse autoriteiten internationale bescherming is verleend in de zin van artikel 2, onder a, van de Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn). Standpunten partijen 2. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen of eisers (nog) internationale bescherming genieten in Bulgarije. Immers, uit de reacties van de Bulgaarse autoriteiten blijkt dat aan eisers een vluchtelingenstatus is toegekend in Bulgarije. De omstandigheid dat dit ten aanzien van eiseres (1) niet in Eurodac is geregistreerd doet hier naar de mening van verweerder niet aan af vanwege het feit dat de Bulgaarse autoriteiten hebben bevestigd dat ook haar de vluchtelingenstatus is toegekend. Ook heeft verweerder in aanmerking genomen dat uit de Eurodacregistratie niet blijkt dat de door Bulgarije aan eisers verleende internationale bescherming is ingetrokken. Evenmin hebben eisers volgens verweerder concrete informatie overgelegd op basis waarvan het aannemelijk moet worden geacht dat de beschermingsstatus van eisers is geëindigd en dat zij niet langer internationale bescherming genieten in Bulgarije. Voor zover eisers stellen dat de verblijfsvergunningen op 20 augustus 2020 zouden zijn verlopen, betekent dit naar de mening van verweerder niet dat daarmee ook de aan hen verstrekte internationale beschermingsstatus is geëindigd en is het aan eisers om na het verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunningen in Bulgarije de verlenging hiervan aan te vragen. Verder meent verweerder dat de stelling dat er geen daadwerkelijk band met Bulgarije is en niet kan worden gevergd dat eisers terugkeren naar Bulgarije onderbouwing mist en dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621, 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795) met louter de verlening van internationale bescherming reeds is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, Vb 2000. Daarnaast wijst verweerder wat betreft de stelling dat er aanwijzingen zijn dat Bulgarije internationale verplichtingen niet nakomt en in het voornemen ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1793) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2961), waarin is geoordeeld dat statushouders kunnen terugkeren naar Bulgarije nu de situatie aldaar voor statushouders moeilijk is, maar niet zodanig slecht is dat een statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM terecht zal komen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij onvoldoende inspanningen hebben geleverd en dat meer van hen mag worden verwacht om hun rechten te effectueren. Volgens verweerder hebben statushouders, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van Bulgarije, toegang tot werk, onderwijs, zorg, huisvesting, en hebben zij de mogelijkheid om te integreren. Het kan in de praktijk (onder meer door discriminatie en de taalbarrière) moeilijk zijn om deze toegang ook te krijgen, maar uit de verklaringen van eisers blijkt naar de mening van verweerder niet dat zij een (voldoende) inspanning hebben geleverd om hun rechten te effectueren of hun situatie te verbeteren. Door verweerder wordt niet gevolgd dat van eisers niet zou kunnen worden gevergd om bescherming of hulp te zoeken bij (andere of hogere) autoriteiten. Hoewel de gebeurtenissen en de situatie die door eisers worden geschetst vervelend zijn, meent verweerder dat geen sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat bij eisers niet is gebleken van bijzonder kwetsbare personen, zodat ook om die reden van eisers kan worden verwacht dat zij een inspanning leveren om hun rechten te effectueren. Tot slot merkt verweerder nog op dat ook de Duitse autoriteiten geen aanleiding hebben gezien om de aanvragen van eisers in behandeling te nemen en deze niet-ontvankelijk hebben verklaard. 3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder op onjuiste gronden heeft besloten hun asielaanvragen niet ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, althans dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en/of onvoldoende zijn gemotiveerd. Allereerst stellen eisers dat zij geen of onvoldoende notie hebben van de status die zij in Bulgarije zouden hebben verkregen omdat zij in Duitsland als Dublinclaimanten werden behandeld. Daarnaast ontbreekt de Eurodac‑vermelding met betrekking tot internationale bescherming ten aanzien van eiseres (1). Bovendien is uit de brief van de Bulgaarse autoriteiten aan de Duitse autoriteiten van 6 november 2017, waarin de autoriteiten van Bulgarije laten weten dat op 11 augustus 2017 internationale bescherming aan eisers is verleend, op te maken dat de Bulgaarse autoriteiten moet worden verzocht om wedertoelating tot Bulgarije. Voor eisers staat onvoldoende vast dat zij thans nog daadwerkelijk internationale bescherming genieten van Bulgarije en of zij tot dat land worden toegelaten zonder dat hierover vooraf nog contact wordt gelegd door verweerder met de Bulgaarse autoriteiten. Eisers menen dat verweerder naar aanleiding van de zienswijze was gehouden tot nader onderzoek bij de Bulgaarse autoriteiten en dat de bestreden besluiten op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen doordat dit is nagelaten alvorens te besluiten. Ook heeft verweerder niet onderbouwd dat de Duitse autoriteiten de asielaanvragen van eisers niet ontvankelijk hebben verklaard. Voorts hebben eisers aangevoerd dat zij hun Syrische nationaliteit en hun familierechtelijke betrekkingen tot elkaar hebben onderbouwd met een origineel uittreksel uit het familieregister van 13 februari 2020 (met vertaling in het Duits), dat zij Syrië zijn ontvlucht, dat zij in 2017 slachtoffer zijn geworden van een illegale push back door de Bulgaarse autoriteiten naar Turkije maar bij een tweede poging door de Bulgaarse autoriteiten gevangen zijn gezet en dat zij in vrijheid gesteld nadat eiseres (1) de door de Bulgaarse autoriteiten voorgelegde formulieren heeft ondertekend. Ook hebben eisers tijdens het Gehoor Bescherming EU van 3 augustus 2020 naar voren gebracht dat zij in Bulgarije in detentie zijn gehouden, zijn mishandeld en aangerand door de Bulgaarse autoriteiten. Tevens voeren eisers aan dat zij in Bulgarije niet zijn voorzien van juridische bijstand en dat hun angst voor de Bulgaarse autoriteiten en het risico om wederom in detentie te geraken hen heeft weerhouden zich over de behandeling in Bulgarije te beklagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Daarbij komt volgens eisers hun relaas overeen met hetgeen bekend is over de situatie van vluchtelingen die in 2017 de grens over trachtten te steken vanuit Turkije en in Bulgarije terecht kwamen. Bovendien is hen door de Bulgaarse autoriteiten in 2017 duidelijk te verstaan gegeven dat zij na hun vrijlating moesten vertrekken, aldus eisers. Eisers hebben verklaard dat zij in Bulgarije geen enkele overheidssteun ontvingen en verstoken bleven van middelen om in hun primaire levensbehoeften (eten en woonruimte) te voorzien waarop zij naar Duitsland zijn gegaan, alwaar drie kinderen van eiseres (1), twee broers en een zuster van eiser en eiseres (2) en eiseres (3) internationale bescherming hadden verkregen, alsook dat zij eerst door de uitzetting in april 2020 hebben begrepen dat Bulgarije verantwoordelijk is en dat zij volgens verweerder allen internationale bescherming zouden genieten van Bulgarije. Nu er concrete aanwijzingen zijn dat Bulgarije de internationale verplichtingen niet nakomt, kan naar de mening van eisers niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Hierbij doen eisers een beroep op het arrest Ibrahim van Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) van 19 maart 2019. Tot slot hebben eisers aangevoerd dat terugkeer naar Bulgarije voor hen impliceert dat zij een ernstig risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). In dit verband stellen eisers dat zij reeds in Bulgarije in 2017 en in april 2020 een mensonterende behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) hebben ondergaan, waarbij zij zijn mishandeld en aangerand en na hun vrijlating feitelijk verstoken zijn gebleven van overheidssteun. Ook stellen eisers dat een daadwerkelijke mogelijkheid tot klagen er feitelijk niet was en nog steeds niet is. Zo is er geen juridische ondersteuning en menen eisers dat klagen bij de politie over aanranding en mishandeling door de politie, die tevens de macht heeft hen weer in detentie te plaatsen, in redelijkheid niet van hen kan worden gevergd, zeker niet wanneer zij zich in een situatie bevinden waarin zij verstoken zijn van primaire levensbehoeften. Bovendien zijn eisers van mening dat effectuering van de rechten voortvloeiende uit een in Bulgarije verkregen internationale beschermingsstatus voor hen in 2017 vrijwel volstrekt onmogelijk was en dat dit thans in 2020 niet anders is. Volgens eisers is namelijk sprake van een zogenaamde catch 22-situatie waarbij statushouders geen toegang hebben tot de sociale woningmarkt omdat hiervoor de Bulgaarse nationaliteit is vereist en dat voor toegang tot de particuliere woningmarkt een identiteitskaart nodig is of inschrijving bij de gemeente, wat enkel kan indien wordt beschikt over een woonruimte of inschrijfadres want een opvang- of detentieadres is niet toegestaan. Daarnaast betekent geen inschrijving ook geen overheidssteun, geen opvang en geen gezondheidszorg, aldus eisers. Hierbij hebben zij verwezen naar: het AIDA (Asylum Information database) rapport update Bulgarije van 21 februari 2020 (pagina's 82 tot en met 84); en het rapport ‘Veelgestelde vragen - Dublinterugkeerders en statushouders Bulgarije’ van april 2020 van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) (pagina's 5 en 6). Eisers menen dan ook dat verweerder niet kan volstaan met een verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2961) en 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1793), waarin geoordeeld is dat de situatie voor statushouders in Bulgarije moeilijk is, maar niet zodanig dat de statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM terecht zal komen. Immers, verweerder gaat voorbij aan de door eisers gestelde en onderbouwde catch 22-situatie en het gegeven dat in Bulgarije voor statushouders sinds 2014 geen ondersteuning is met betrekking tot integratie waardoor er in dat land al ruim 6 jaar sprake is van een 'zero‑integration situatie '. Naar de mening van eisers voldoet Bulgarije niet aan artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn en geven de Bulgaarse autoriteiten hiermee het signaal af dat zij volstrekt onverschillig staan tegenover statushouders die van hen afhankelijk zijn. Hierdoor kunnen statushouders niet integreren en daarmee wordt de toegang tot de uitoefening van de rechten als statushouder in Bulgarije volstrekt onmogelijk gemaakt. Ten onrechte wordt dan ook door verweerder aan eisers tegengeworpen dat zij onvoldoende hebben ondernomen met betrekking tot de uitoefening van hun rechten als statushouder. Immers, statushouders hebben thans en hadden in 2017 geen daadwerkelijke toegang tot elementaire levensbehoeftes als huisvesting, en zij kunnen in Bulgarije ook niet hun recht hierop effectueren. In de praktijk hebben eisers verder naast de taalbarrière tevens te doen met de uitermate vijandige houding van de Bulgaarse politie jegens migranten (statushouders inbegrepen) en de discriminatoire houding van de Bulgaren jegens migranten (statushouders inbegrepen). Beoordeling door de rechtbank 4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 niet‑ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn), indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) internationale bescherming geniet. Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, Vw 2000 indien, naar het oordeel van verweerder, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000, en het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. In het tweede lid van artikel 3.106a Vb 2000 staat dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 slechts niet‑ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, Vw 2000 indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. 5. Verweerder heeft met stukken onderbouwd dat de Bulgaarse autoriteiten eisers op 11 augustus 2017 internationale bescherming hebben verleend. Uit de reacties van de Dublin Unit van de Bulgaarse autoriteiten blijkt dat in Bulgarije – ondanks dat dit ten aanzien van eiseres (1) niet in Eurodac is geregistreerd – aan eiseres een vluchtelingenstatus is toegekend. Daarnaast blijkt uit de reacties van de Dublin Unit van de Bulgaarse autoriteiten inzake eiser en eiseres (2) en eiseres (3) dat ook hen de vluchtelingenstatus is verleend en dat dus niet is gebleken van verlening van de subsidiaire beschermingsstatus die na drie jaar zou verlopen. Verder hebben de Bulgaarse autoriteiten op grond van artikel 18, derde lid, van de Eurodacverordening (Vo 603/2013) de verplichting om de markering in Eurodac dat de vreemdeling internationale bescherming geniet te verwijderen wanneer hun status is ingetrokken of beëindigd. Op 27 juni 2020 heeft verweerder Eurodac geraadpleegd en uit de informatie uit Eurodac is niet gebleken dat de aan eisers verleende vluchtelingstatus is ingetrokken of beëindigd. Voor zover de geldigheid van de Bulgaarse verblijfsvergunning op 20 augustus 2020 zou zijn verlopen, overweegt de rechtbank dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat eisers nog steeds een vluchtelingenstatus hebben en dat het aan eisers is om aan te tonen dat dit niet langer zo is. Daarbij is van belang dat – zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (vgl. de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253) – het verlenen van de internationale beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze moet worden onderscheiden van het verstrekken van een verblijfstitel aan personen met een dergelijke status. Hoewel de geldigheid van een verblijfstitel kan worden beperkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat met het verlopen van de geldigheidsduur van een aan een vreemdeling verstrekte verblijfstitel ook de aan een vreemdeling verstrekte beschermingsstatus eindigt. In dit geval hebben eisers evenwel geen concrete informatie ingebracht op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat zij niet langer internationale bescherming genieten in Bulgarije en dat hun vluchtelingenstatus is geëindigd. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat zij daardoor een zodanige band hebben met Bulgarije dat het voor hen redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Immers, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (vgl. onder meer de uitspraken van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621, 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1792-1795, en 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442), is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de EU erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, Vb 2000. De beroepsgrond van eisers dat verweerder zich nader moet vergewissen of zij op dit moment nog steeds internationale bescherming genieten slaagt dus niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun status is ingetrokken of beëindigd en de bewijslast voor die stelling rust wel op eisers. Gelet op het toetsingskader en de vaste jurisprudentie van de Afdeling betekent dit ook dat hiermee de band van eisers met Bulgarije een gegeven is. De vraag of zij zelf een sterkere band met Nederland ervaren of willen opbouwen kan onbesproken kan blijven omdat dit niet relevant is voor de beoordeling van de onderhavige beroepen. 6. Statushouders, zoals eisers, kunnen aan hun internationale beschermingsstatus de rechten ontlenen die hen worden toegekend op grond van de Kwalificatierichtlijn. In hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn zijn normen vastgesteld voor de inhoud van de internationale bescherming die een lidstaat van de EU aan onderdanen van derde landen verleent en de verplichtingen die dit voor de statusverlenende lidstaat met zich brengt. Zo staat in dit hoofdstuk onder meer dat lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten onder dezelfde voorwaarden die gelden voor de eigen onderdanen, onbeperkt toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen verlenen. Verder moeten de lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten toegang bieden tot integratieprogramma's die zij passend achten om rekening te houden met hun specifieke behoeften of zorgen zij voor omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's is gewaarborgd. Eisers moeten in Bulgarije dus op vergelijkbare wijze als Bulgaren toegang hebben tot werk, onderwijs, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en huisvesting en bovendien moeten zij gebruik kunnen maken van integratievoorzieningen. 7. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat alle lidstaten hun internationale verplichtingen, ook verplichtingen die voortvloeien uit hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, nakomen. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat Bulgarije dit jegens hen niet doet en zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en hier bovendien niet over kunnen klagen in Bulgarije. Uitgangspunt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (vgl. de uitspraken van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793 en 1795) is dat eisers de rechten die zij hebben zelf kunnen en moeten effectueren. Eisers zullen voor zover zij zich op het standpunt stellen dat van hen niet kan worden verwacht om terug te keren naar Bulgarije om daar hun rechten als statushouders te effectueren deze stelling aannemelijk moeten maken. 8. De Afdeling heeft dit in de uitspraken van 30 mei 2018 ook zo overwogen en hierbij benadrukt dat uit de rechtspraak van het EHRM – de arresten van het EHRM in de zaken N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië van 27 augustus 2013 (ECLI:CE:ECHR:2013:0827DEC004052410, punt 179) en E.T. en N.T. tegen Zwitserland en Bulgarije van 30 mei 2017 (ECLI:CE:ECHR:2017:0530DEC007948013, punt 26) – volgt dat de situatie van asielzoekers, een kwetsbare groep die speciale bescherming behoeft, niet te vergelijken is met die van statushouders, die dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van toegang tot werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar de economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd. Dat neemt echter niet weg dat, zoals de Afdeling overweegt, uit punt 23 van het arrest E.T. en N.T. blijkt dat indien een persoon, die volledig afhankelijk is van steun van de staat, te maken heeft met “ official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity ”, alsnog sprake is van schending van artikel 3 EVRM. 9. Het HvJ-EU heeft in de zaak Ibrahim e.a. tegen Duitsland bij arrest van 19 maart 2019 (ECLI:NL:EU:C:2019:219) overwogen dat lidstaten er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen van mogen uitgaan dat de andere lidstaten asielzoekers en statushouders in overeenstemming met het Unierecht en de door dat recht erkende grondrechten behandelen. Als een vreemdeling met een door een andere lidstaat afgegeven asielstatus in Nederland asiel aanvraagt, mag Nederland dat asielverzoek daarom in principe zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk verklaren en de vreemdeling naar die andere lidstaat sturen. Het HvJ-EU heeft overwogen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel echter niet kan worden uitgegaan als er een ernstig risico bestaat op schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling zoals genoemd in artikel 4 van het Handvest. Hiervoor geldt wel een hoge drempel. Er is pas sprake van een schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling als de vreemdeling die volledig afhankelijk is van overheidssteun, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en dit negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet bovendien zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen. Die drempel wordt niet bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Uit het arrest Ibrahim volgt – kort gezegd – dat de drempel van zwaarwegendheid hoog is en dat de situatie van zeer verregaande materiële deprivatie moet zijn veroorzaakt door – uitsluitend – onverschilligheid van de autoriteiten. 10. De vraag in de onderhavige procedure is dan ook, gelet op de beroepsgronden, of de juridische en feitelijke positie van statushouders in Bulgarije in overeenstemming is met hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn en Bulgarije dus aan zijn verplichtingen ten aanzien van statushouders voldoet. Als op grond van Bulgaarse regelgeving blijkt, zoals door eisers betoogd, dat Bulgarije in strijd met zijn verplichtingen statushouders deze rechten (volledig) onthoudt, kan van eisers bezwaarlijk worden verwacht hierover te klagen in Bulgarije. Het is immers aannemelijk dat de Bulgaarse autoriteiten conform hun nationale regelgeving zullen handelen. Indien reëel en voorzienbaar is dat de Bulgaarse autoriteiten niet voldoen aan hun verplichtingen regardeert dit derhalve tevens het uitgangspunt dat eisers gehouden zijn hierover te kunnen en moeten klagen bij diezelfde Bulgaarse autoriteiten. Weliswaar zou in dat geval de gang naar de (hoogste) Bulgaarse nationale rechter open staan, maar primair staat in de onderhavige procedure ter toetsing of de autoriteiten aan hun verplichtingen voldoen en indien dat niet het geval is het klagen bij diezelfde autoriteiten mogelijk en ook niet bij voorbaat kansloos is. Volgens het hiervoor uiteengezette toetsingskader zoals dat volgt uit de jurisprudentie van het EHRM en uit het arrest Ibrahim van het HvJ-EU dient bij de beoordeling de houding van de autoriteiten te worden betrokken en niet de eventuele mogelijkheid om de Bulgaarse rechter een mogelijk onverschillig houding te laten corrigeren middels het doen van uitspraken in concrete zaken. Het EHRM heeft reeds vaker overwogen dat het Hof geen appèlinstantie is van de nationale hoogste rechter (zie bijvoorbeeld punt 88 van het arrest van het EHRM in de zaak Bykov tegen Rusland van 10 maart 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0310JUD000437802). Weliswaar staat voor een ieder na doorlopen van de nationale procedure de rechtsgang naar het EHRM open, maar dit brengt niet met zich mee dat de nationale rechter bij wie, zoals in de onderhavige procedure, de rechtsvraag voorligt of een andere, statusverlenende, lidstaat zich aan de Europese verplichtingen ten aanzien van statushouders voldoet kan volstaan met de verwijzing naar de mogelijkheid om te procederen bij het EHRM. Indien dit wel zo zou moeten worden uitgelegd had naar het oordeel van de rechtbank het HvJ-EU dit in Ibrahim zo uitgesproken en uitgelegd dat het in die zin niet relevant is dat eisers aannemelijk kunnen maken dat zij in een statusverlenende lidstaat in een situatie van verregaande materiele deprivatie terecht zullen komen na terugkeer naar die lidstaat omdat zij uiteindelijk altijd zouden kunnen klagen bij het EHRM over EVRM-schendingen. 11. Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat hij op grond van jurisprudentie van de Afdeling mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Volgens verweerder hebben eisers dezelfde rechten als de Bulgaarse bevolking. Eisers moet deze rechten zelf effectueren en uit hun relazen blijkt volgens verweerder dat zij onvoldoende inspanningen hebben geleverd om dit te doen. Niet gesteld is dat dit van hen niet of in mindere mate verwacht kan worden. Voor zover zij feitelijke problemen in Bulgarije hebben ervaren levert dit geen strijd op met artikel 3 EVRM en komt dit volgens verweerder doordat zij te weinig inspanningen hebben geleverd om hun rechten te effectueren. Volgens verweerder kunnen eisers zich voor huisvesting te wenden tot niet-gouvernementele organisaties (NGO’s). Ook hebben eisers niet onderbouwd dat ze zich niet tot de Bulgaarse autoriteiten kunnen wenden voor zover ze vinden dat Bulgarije de verplichtingen jegens hen niet nakomt. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de mogelijkheden tot integratie in enige mate samenhangen met de mogelijkheid om zelfstandig rechten te effectueren maar er is geen sprake van dat het onmogelijk is om rechten te effectueren. 12. De rechtbank overweegt dat aan de vraag of eisers voldoende inspanningen hebben geleverd om hun rechten in Bulgarije te effecturen de vraag voorafgaat of dit feitelijk daadwerkelijk mogelijk is. Indien reëel voorzienbaar is dat eisers geen toegang zullen hebben tot elementaire voorzieningen, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim en dit een gevolg is van een onverschillige houding van de Bulgaarse autoriteiten ten aanzien statushouders komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de inspanningen die eisers hebben geleverd voldoende zijn geweest omdat in dat geval dan toereikend is om aan te voeren dat de feitelijke situatie in Bulgarije substantieel verschilt van hun juridische positie als statushouders. 13. Eisers hebben hun gronden onderbouwd met hun eigen verklaringen en actuele algemene informatie. Verweerder heeft op geen enkel moment in de besluitvorming verwezen naar algemene informatie over de positie van statushouders in Bulgarije. Evenmin heeft verweerder de door eisers overgelegde informatie betwist. Verweerder heeft de bestreden besluiten gemotiveerd met de algemene juridische kaders die gelden ten aanzien van de positie van statushouders en voor de toepassing hiervan ten aanzien van Bulgarije enkel verwezen naar de jurisprudentie van de Afdeling. 14. De rechtbank overweegt dat deze wijze van motiveren van de besluiten niet volstaat omdat verweerder zelf op een zorgvuldige wijze een juridische beoordeling dient te maken van de vraag of gelet op de relazen van eisers en de algemene informatie waar zij een beroep op doen in het concrete geval van eisers ten aanzien Bulgarije onverkort van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de lidstaten van de EU, in dit geval Bulgarije, de verplichtingen uit hoofde van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat Bulgarije, na terugkeer van eisers zijn internationale verplichtingen jegens hen niet zal nakomen. Echter, hoewel het op de weg van eisers ligt om aannemelijk te maken dat zich in hun zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest wordt weerlegd, laat dit onverlet dat een zorgvuldige beoordeling door verweerder is geboden van de relazen van eisers en de algemene informatie waarmee zij hun beroep op artikel 3 EVRM staven. De rechtbank zal ingaan op de jurisprudentie van de Afdeling en de door eisers overgelegde informatie over de positie van statushouders in Bulgarije en daarna beoordelen of het enkele verwijzen door verweerder naar de jurisprudentie van de Afdeling volstaat als motivering van de niet‑ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers. 15. Verweerder heeft in zijn besluitvorming verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1793) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2961). De rechtbank overweegt dat de Afdeling op 28 augustus 2019 nog twee andere uitspraken heeft gedaan over statushouders in Bulgarije (ECLI:NL:RVS:2019:2959 en ECLI:NL:RVS:2020:2960). Ook op 30 mei 2018 heeft de Afdeling nog een andere uitspraak gedaan over statushouders in Bulgarije (ECLI:NL:RVS:2018:1792). De meest actuele gepubliceerde uitspraken van de Afdeling over statushouders in Bulgarije zijn de bovengenoemde uitspraken van 28 augustus 2019. De rechtbank is niet bekend of de Afdeling na 28 augustus 2019 uitspraken van andere zittingsplaatsen waarin is geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft bevestigd met een zogenaamde 91, tweede lid, Vw 2000 verkorte motivering omdat deze uitspraken niet worden gepubliceerd. 16. De Afdeling heeft in twee van de uitspraken van 28 augustus 2019 overwogen dat: “De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over of de vreemdeling als statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM terecht zal komen, heeft de Afdeling bij uitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793, beantwoord. Uit die uitspraak volgt dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zo slecht is dat sprake is van een met artikel 3 EVRM strijdige situatie. Die overwegingen zijn hier ook van toepassing, zodat de grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.” 17. In de derde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, waarbij een niet gepubliceerde uitspraak van deze zittingsplaats is vernietigd, is voorts overwogen dat de enige andere grief en het incidenteel hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak leiden en dit niet verder hoeft te worden gemotiveerd omdat deze geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De rechtbank is, omdat de Afdeling deze niet heeft weergegeven in zijn uitspraak, niet op de hoogte van de inhoud van die grief en ook niet van het incidenteel hoger beroep zodat de rechtbank dit niet kan betrekken bij de beoordeling in de onderhavige procedure. In deze drie uitspraken is geen actuele informatie over de positie van statushouders in Bulgarije – kenbaar – betrokken bij het oordeel van de Afdeling. De onderliggende uitspraken van de rechtbanken dateren van 8 januari 2019, 17 december 2018 en 30 november 2018. 18. De Afdeling heeft in de uitspraken van 30 mei 2018 uiteengezet waarom de situatie voor statushouders in Bulgarije niet zo slecht is dat zij een reëel risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige situatie. In de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2018:1793 is – onder meer – het navolgende overwogen: “ Verder heeft de staatssecretaris betoogd dat (…) het in de praktijk moeilijk is voor statushouders om hier daadwerkelijk toegang tot de krijgen. De Bulgaarse overheid heeft zich echter met de hulp van de Europese Commissie en diverse hulporganisaties ingespannen om de feitelijke positie van statushouders te verbeteren. (…) . Uit de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris van 15 januari 2018, de stukken waarop partijen een beroep hebben gedaan en het persoonlijk relaas van de vreemdeling komt het beeld naar voren dat de feitelijke situatie in Bulgarije voor statushouders moeilijk is, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Zoals de staatssecretaris in zijn schriftelijke uiteenzetting van 15 januari 2018 heeft vermeld, is het voor statushouders moeilijk om betaald werk te vinden en bestaan wat betreft de toegang tot onderwijs en de gezondheidszorg barrières. Zoals uit vorenbedoelde stukken blijkt, en de staatssecretaris ter zitting heeft bevestigd, is voor toegang tot door de gemeenten verstrekte sociale huisvesting de Bulgaarse nationaliteit vereist, zodat statushouders hier feitelijk van zijn uitgesloten en na het verlaten van de opvang zijn aangewezen op hulporganisaties of de particuliere sector voor huisvesting. (…) Voor zover de vreemdeling zich beroept op de bepalingen in Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, is het in de eerste plaats aan de vreemdeling om zijn daaruit voortvloeiende rechten in Bulgarije te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdeling en de op de zaak betrekking hebbende stukken is niet gebleken dat hij daartoe voldoende inspanningen heeft verricht.” 19. In de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2018:1792 heeft de Afdeling naast bovenstaande overweging ook overwogen dat de Bulgaarse autoriteiten in 2017 een nieuwe integratieverordening hebben aangenomen en financiële middelen beschikbaar hebben gesteld om de toegang van statushouders tot integratievoorzieningen te waarborgen. De Afdeling heeft in beide uitspraken geconcludeerd dat de positie voor statushouders moeilijk is maar dat in beide zaken de vreemdelingen onvoldoende inspanningen hebben geleverd om hun rechten te effecturen. Uit bijlage 2 behorende bij deze uitspraken van 30 mei 2018 blijkt dat de meest actuele algemene informatie over Bulgarije die is betrokken een brief van VWN van 30 januari 2018 is. 20. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bij de uitspraken van 30 mei 2018 tevens heeft betrokken in hoeverre de vreemdelingen inspanningen hebben geleverd om zelf hun rechten als statushouders te effectueren. In de uitspraken van 28 august
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...