Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:5765

Instantie
Raad van State
Datum
2026-10-01
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.26.004870
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
3.972 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 17 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

BRS.26.004870 ECLI:NL:RVS:2026:5765 Datum uitspraak: 1 oktober 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 augustus 2026 in zaak nr. NL25.16643 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleent met als ingangsdatum 26 januari 2023. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. De voorzieningenrechter constateert dat in hoger beroep niet meer in geschil is dat de minister aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet verlenen. De minister klaagt alleen over de opdracht van de rechtbank om een verblijfsvergunning te verlenen met als ingangsdatum 26 januari 2023. 3. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene hierover naar voren hebben gebracht, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af voor zover de minister heeft verzocht dat hij geen nieuw besluit hoeft te nemen en daarbij aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet verlenen, voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe voor zover de minister heeft verzocht dat hij geen verblijfsvergunning asiel met als ingangsdatum 26 januari 2023 hoeft te verlenen, voordat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 4. Dit betekent dat de minister wel de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren voor zover hieruit volgt dat hij aan betrokkene binnen vier weken na de dag van de verzending van de uitspraak een verblijfsvergunning asiel moet verlenen, maar niet dat deze verblijfsvergunning asiel de ingangsdatum 26 januari 2023 moet hebben. 5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. wijst het verzoek af, voor zover de minister van Asiel en Migratie heeft verzocht dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist, voor zover de rechtbank hem heeft opgedragen om binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen en daarbij aan betrokkene een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als vluchteling te verlenen; II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, voor zover de rechtbank hem daarin heeft opgedragen om de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel van betrokkene op 26 januari 2023 te stellen. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier. w.g. Van Gastel voorzieningenrechter w.g. Van Driesten griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026 1048

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...