Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:5616

Instantie
Raad van State
Datum
2026-09-25
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.26.004655
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
3.124 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

BRS.26.004655 en BRS.26.004656 ECLI:NL:RVS:2026:5616 Datum uitspraak: 25 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 augustus 2026 in zaak nr. NL26.7306 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen eigen beoordeling heeft gemaakt van de geloofwaardigheid en gegrondheid van zijn asielrelaas en dat de Afdeling alsnog een eigen beoordeling daarvan moet maken. De Afdeling is van oordeel dat appellant er in hoger beroep niet in is geslaagd de inhoudelijke tegenwerpingen van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas die de rechtbank terecht ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat het beroep ongegrond is, te weerleggen. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag of de rechter altijd gehouden is om een eigen onderzoek te doen naar de feitelijke en juridische gegrondheid van een asielverzoek, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier. w.g. Soffers voorzieningenrechter w.g. Salverda griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026 992

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...