Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:5275

Instantie
Raad van State
Datum
2026-09-10
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.26.003469
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
2.333 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 24 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie. appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

05Kern

Materiële kern

BRS.26.003469 ECLI:NL:RVS:2026:5275 Datum uitspraak: 10 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 6 juli 2026 in zaak nr. NL26.35198 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 25 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4920, onder 4.1, over de vraag of een met een kennisgeving ingesteld beroep kan worden ingetrokken). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 1.2. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Breeman, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Breeman griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026 1020

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...