Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:5210

Instantie
Raad van State
Datum
2026-09-07
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.26.003644
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
2.059 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 1 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellanten een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

05Kern

Materiële kern

BRS.26.003644 ECLI:NL:RVS:2026:5210 Datum uitspraak: 7 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant 1] en [appellant 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 juli 2026 in zaken nrs. NL26.36915 en NL26.36844 in het geding tussen: [appellanten] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 1 juli 2026 heeft de minister appellanten een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 14 juli 2026 heeft de rechtbank de met een kennisgeving daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Saakjan, advocaat in Maastricht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Ristra-Peeters lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026 1137-347

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...