← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:4217

Raad van State · 2026-07-17 · Hoger beroep

Zaaknummer
202402062/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.207 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 29 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Materiële kern

202402062/1/V3. Datum uitspraak: 17 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024 in zaak nr. NL23.26060 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 29 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 25 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. B.H. Werink, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit en komt uit Kandahar. Zijn eerste asielaanvraag uit 2015 is afgewezen, omdat de minister zijn verklaringen over zijn problemen met de Taliban als gevolg van zijn sjiitische geloofsovertuiging niet geloofwaardig acht. Het afwijzende besluit staat in rechte vast. Betrokkene heeft een tweede asielaanvraag ingediend en die weer ingetrokken. In zijn derde asielaanvraag heeft betrokkene een screenshot overgelegd van een dreigbrief van de Taliban, dat de minister als nieuw relevant element heeft aangemerkt. 1.1. De minister heeft deze asielaanvraag afgewezen, omdat hij de verklaringen van betrokkene over de dreigbrief niet geloofwaardig acht en betrokkene daardoor de gestelde problemen met de Taliban nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de minister heeft betrokkene ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in Afghanistan als sjiiet en Tadzjiek in het verleden problemen heeft ondervonden of die bij terugkeer zal ondervinden, of dat hij vanwege zijn verblijf in Europa problemen zal gaan ondervinden. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 1.2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Het hoger beroep van de minister De dreigbrief 2. In zijn derde grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij in het besluit van 29 augustus 2023 ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het relevante element, de dreigbrief, niet geloofwaardig is. De minister betoogt dat hij zich in het besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief naar zijn inhoud niet te herleiden is tot betrokkene, omdat daarin alleen een voornaam en een beroep zijn genoemd. Verder betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd, onder meer omdat hij bij betrokkene had moeten doorvragen over de inhoud van de dreigbrief en de persoon die deze brief heeft afgegeven. 2.1. De minister betoogt terecht dat hij, zoals blijkt uit het rapport gehoor opvolgende aanvraag, voldoende heeft doorgevraagd over de inhoud van de dreigbrief en de persoon die deze brief heeft afgegeven, maar dat de antwoorden van betrokkene hierover vaag bleven. De minister heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat betrokkene geen inspanningen heeft verricht om details over de dreigbrief te achterhalen en dat betrokkene geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij de brief pas een jaar na de gestelde problemen heeft ontvangen. 2.2. Hoewel de minister terecht klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet voldoende heeft doorgevraagd over de dreigbrief, doet die klacht niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de minister het besluit van 29 augustus 2023 ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister, zonder nadere motivering, niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat de dreigbrief niet specifiek naar betrokkene te herleiden is, terwijl de minister niet betwist dat de brief bij de ouders van betrokkene is afgegeven en op de brief de voornaam en het beroep van betrokkene zijn vermeld. 2.3. De derde grief faalt. Artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn 3. In zijn eerste grief klaagt de minister terecht over het oordeel van de rechtbank dat het nieuwe landenbeleid van de minister over Afghanistan niet in overeenstemming is met de uitleg die het Hof van Justitie in het arrest van 10 juni 2021, CF en DN, ECLI:EU:C:2021:472, heeft gegeven aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Anders dan de rechtbank in dat kader heeft vastgesteld, volgt uit de Kamerbrief van 23 januari 2024, Kamerstukken II 2023/24, 19637, nr. 3198, niet dat de minister voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, het aantal burgerslachtoffers bepalend heeft geacht. Hoewel de klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals volgt uit de bespreking van de tweede grief hieronder, heeft de minister in het besluit van 29 augustus 2023 namelijk niet op juiste wijze getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 3.1. De eerste grief faalt. 4. In zijn tweede grief betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de algemene situatie in Afghanistan in onderlinge samenhang met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van betrokkene had moeten beoordelen op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens de minister volgt uit het arrest van het Hof van 9 november 2023, X en Y, ECLI:EU:C:2023:843, dat er een bepaalde mate van willekeurig geweld moet zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld reëel is. Uit de landeninformatie waarnaar betrokkene verwijst, blijkt echter dat de mate van willekeurig geweld in Afghanistan zo laag is dat niet gesproken kan worden van een reëel risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hij heeft daarom de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van betrokkene terecht niet betrokken bij de beoordeling of sprake is van een reëel risico als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, aldus de minister. 4.1. Anders dan de minister betoogt, bestaat er geen drempel voor de mate van willekeurig geweld die aanwezig moet zijn voordat de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling moeten worden betrokken bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De enige vereisten zijn dat er (1) willekeurig geweld is en (2) dat dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, onder 5.3. Verder geldt dat hoe meer betrokkene aannemelijk kan maken dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden voor een verhoogd risico op willekeurig geweld zorgen, hoe minder willekeurig geweld er vereist is om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4. 4.2. Partijen zijn het in dit geval erover eens dat er ten tijde van het besluit van 29 augustus 2023 in diverse provincies in Afghanistan, waaronder de provincie Kandahar waar betrokkene vandaan komt, sprake was van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict. Dat betekent dat aan de hiervoor genoemde vereisten is voldaan en dat de minister de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van betrokkene had moeten betrekken bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Omdat de minister dat niet heeft gedaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. 4.3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister had moeten beoordelen of betrokkene als sjiitisch moslim die tot de Tadzjieken behoort, om die reden mogelijk bij terugkeer doelwit zal zijn van de Taliban of van een extremistische groepering, en daarmee het risico loopt op gericht geweld. De Afdeling merkt in dit verband op dat het bij de toets aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn alleen gaat om die individuele situatie en persoonlijke omstandigheden die het risico op ernstige schade door willekeurig geweld vergroten, en niet om het risico op gericht geweld. Dit onderscheid heeft de rechtbank niet onderkend. Dit neemt niet weg dat de minister had moeten beoordelen of deze omstandigheden, alsmede de gestelde verwestering, omstandigheden zijn die kunnen leiden tot een verhoogd risico op ernstige schade door willekeurig geweld. 4.4. De tweede grief faalt. Conclusie 5. De minister draagt zijn klacht in de eerste grief terecht voor. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit wat de Afdeling onder 2.2 en 4.2 heeft overwogen, volgt dat de rechtbank terecht een motiveringsgebrek heeft vastgesteld en het besluit van 29 augustus 2023 daarom terecht heeft vernietigd. De minister moet in een nieuw besluit op de asielaanvraag van betrokkene alsnog zijn standpunt dat de dreigbrief niet specifiek naar betrokkene te herleiden is nader motiveren. Verder moet de minister toetsen aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening, aan de hand van de op dat moment actuele veiligheidssituatie in Kandahar. Omdat de minister opnieuw een besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. 5.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Boom griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 1058