← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:4207

Raad van State · 2026-07-20 · Hoger beroep

Zaaknummer
BRS.26.000092
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
1.864 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Materiële kern

BRS.26.000092 ECLI:NL:RVS:2026:4207 Datum uitspraak: 20 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 december 2025 in zaak nr. NL25.40815 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 12 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. van Werven, advocaat in Gouda, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een nader stuk ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling bij brief van 26 juni 2026 laten weten dat appellant met hulp van de IOM is vertrokken naar Syrië, zijn land van herkomst. In de door appellant ondertekende vertrekverklaring staat expliciet dat hij ermee instemt dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Gelet daarop heeft appellant dan ook geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep over het uitblijven van een besluit over het verkrijgen van een verblijfstitel. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026 977