ECLI:NL:RVS:2026:4203
Raad van State · 2026-07-20 · Hoger beroep
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
BRS.26.003165 ECLI:NL:RVS:2026:4203 Datum uitspraak: 20 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 29 mei 2026 in zaak nr. NL25.56124 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 29 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Kortrijk, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister terecht aan appellant heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn precieze betrokkenheid bij de demonstratie. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van appellant over de demonstratie niet samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft hierbij alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. Anders dan appellant betoogt, is het ontbreken van documenten dus niet dragend geweest voor het standpunt van de minister dat de problemen wegens betrokkenheid bij een demonstratie niet geloofwaardig zijn. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag of het in deze zaak toegepaste toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met de verplichting uit het Unierecht om alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te bezien en daarbij alle verklaringen en documenten te betrekken, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Veen griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026 986