← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:4195

Raad van State · 2026-07-17 · Voorlopige voorziening

Zaaknummer
BRS.26.003225
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.451 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 7 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Materiële kern

BRS.26.003225 ECLI:NL:RVS:2026:4195 Datum uitspraak: 17 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 juni 2026 in zaken nrs. NL24.7640 en NL24.7641 in het geding tussen: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 7 mei 2026 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Bij mondelinge uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. In het licht van de prejudiciële vragen die de Afdeling in haar uitspraak van 8 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3878, heeft gesteld over Griekse statushouders, vergt het hoger beroep nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. De Poorter voorzieningenrechter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 644