ECLI:NL:RVS:2026:4190
Raad van State · 2026-07-16 · Hoger beroep
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 14 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Materiële kern
202400399/1/V1. Datum uitspraak: 16 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 december 2023 in zaak nr. NL23.9227 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 14 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 21 december 2023 heeft de rechtbank het verzoek van appellant om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag heeft gemaakt, afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het door hem ingediende beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag, omdat de minister inmiddels alsnog een besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek van appellant om vergoeding voor zijn proceskosten afgewezen. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat appellant de asielaanvraag heeft ingediend op 3 september 2022. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou eindigen op 3 maart 2023. De minister heeft met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden verlengd. Dit betekent dat de beslistermijn in dit geval pas op 3 november 2023 is afgelopen. Gelet hierop heeft appellant de ingebrekestelling van 6 maart 2023 te vroeg ingediend. Daarom bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in verband met het indienen van het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag, aldus de rechtbank. 2. Appellant betoogt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft afgewezen. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De ingebrekestelling is niet te vroeg ingediend, aldus appellant. 2.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is. 2.2. De asielaanvraag van appellant valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister tot en met 3 maart 2023 de tijd om een besluit te nemen op de asielaanvraag van appellant. Gelet hierop heeft appellant de ingebrekestelling van 6 maart 2023 niet te vroeg ingediend. De minister is aan appellant tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag alsnog een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten van appellant te veroordelen. De grief slaagt. 3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het verzoek om de minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag heeft gemaakt, heeft afgewezen. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 december 2023 in zaak nr. NL23.9227, voor zover de rechtbank het verzoek om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag heeft gemaakt, heeft afgewezen; III. veroordeelt de minister tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier. w.g. Den Heyer lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Wilde griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 598