← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:4186

Raad van State · 2026-07-17 · Hoger beroep

Zaaknummer
BRS.26.001149
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
7.454 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 21 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

Materiële kern

BRS.26.001149 ECLI:NL:RVS:2026:4186 Datum uitspraak: 17 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 maart 2026 in zaak nr. NL26.10170 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 21 februari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 4 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister heeft betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. Dit is de zogeheten Dublinbewaring. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene ten tijde van het opleggen van de maatregel niet onder de Dublinverordening viel, omdat de uiterste overdrachtstermijn volgens haar op 20 december 2024 al was verlopen en die termijn pas op 13 oktober 2025, en daarmee kennelijk te laat, is verlengd. 3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Hoger beroep 4. De enige grief van de minister is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. De minister klaagt terecht dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel mocht geven over het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn van 13 oktober 2025. Hierin heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden, omdat de overdracht niet kon plaatsvinden, omdat betrokkene met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden nadat de termijn om beroep in te stellen tegen dat besluit is verstreken. De rechtbank had dan ook van de rechtmatigheid van het besluit moeten uitgaan. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan slechts in uitzonderlijke gevallen reden bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 25 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4059, onder 5.2. De situatie dat door toedoen van de minister aan betrokkene niet kan worden toegerekend dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, doet zich niet voor. Een erkenning van de onrechtmatigheid door de minister is er in dit geval ook niet. 4.2. Omdat uit moet worden gegaan van de rechtmatigheid van het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, was een Dublinoverdracht ten tijde van de inbewaringstelling dus nog mogelijk. De minister heeft betrokkene terecht op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. 5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Beroep 6. Betrokkene betoogt dat de staandehouding onrechtmatig is, omdat op het moment van binnentreden geen sprake was van een geldige machtiging tot binnentreden. 6.1. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat betrokkene is staandegehouden in het kader van de uitoefening van de algemene politietaak. De verbalisanten kregen een melding, omdat een persoon zich op het terrein van een asielzoekerscentrum zou bevinden die daar niet welkom was. Vervolgens is betrokkene aangehouden, omdat hij geen geldig identiteitsbewijs had. Hieruit blijkt voldoende dat sprake was van een niet-vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Dat in de tussentijd contact is geweest met de vreemdelingenpolitie, maakt dit niet anders. De bewaringsrechter kan zich daarom niet uitlaten over de rechtmatigheid van de staandehouding. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190. 6.2. De beroepsgrond slaagt niet. 7. Betrokkene betoogt verder dat de minister de zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4a, 4c, en 4d niet aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. 7.1. In de toelichting bij grond 3a staat dat betrokkene een derdelander is die in een andere lidstaat van de Europese Unie een asielaanvraag heeft ingediend en daarom op grond van artikel 9 van de Procedurerichtlijn alleen in die lidstaat, in dit geval Kroatië, legaal verblijf heeft. Hieruit volgt dat betrokkene Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, onder 15.1.2. 7.2. Over de zware grond 3b heeft de minister terecht vastgesteld dat deze grond op betrokkene van toepassing is door feitelijk toe te lichten dat betrokkene op 8 mei 2024 een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland en op of omstreeks 20 oktober 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. 7.3. Gelet op artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang gelezen met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, kunnen deze twee gronden de maatregel dragen. De lichte gronden hoeven daarom niet besproken te worden. 7.4. De beroepsgrond slaagt niet. 8. Tot slot betoogt betrokkene dat de minister met een lichter middel had kunnen volstaan. Hij draagt zorg voor zijn dochter van één jaar en zal zich daarom niet aan het toezicht onttrekken. 8.1. De minister heeft in de maatregel van bewaring deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel. Hij heeft daarbij terecht betrokken dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde kind zijn dochter is. Hij wijst erop dat betrokkene zijn gestelde kind nog niet heeft erkend. Daarnaast verwijst de minister naar de uitspraak van de rechtbank in de Dublinprocedure, waarin zij heeft overwogen dat het verkrijgen van een erkenningsdocument de beoordeling in die procedure niet zal veranderen. Verder heeft betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling summier verklaard over zijn relatie met zijn gestelde kind en de zorgtaken die hij verricht. Mede gelet op het onttrekkingsrisico, stelt de minister terecht dat de inbewaringstelling voor betrokkene niet onevenredig bezwarend is. 8.2. De beroepsgrond slaagt niet. 9. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 10. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 maart 2026 in zaak nr. NL26.10170; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 872