ECLI:NL:RVS:2026:4169
Raad van State · 2026-07-17 · Hoger beroep
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Materiële kern
BRS.26.000691 ECLI:NL:RVS:2026:4169 Datum uitspraak: 17 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 februari 2026 in zaken nrs. NL25.53034 en NL25.53036 in het geding tussen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], mede voor hun minderjarige kinderen en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. N. Vollebergh, advocaat in Breda, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen Inleiding en ontvankelijkheid hoger beroep 1. Betrokkenen hebben de Moldavische nationaliteit. De minister heeft hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat België op grond van de Dublinverordening daarvoor verantwoordelijk is. 2. Hoewel de termijn om betrokkenen over te dragen aan België is verstreken, heeft de minister nog belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Dat belang ligt in de precedentwerking die kan uitgaan van de uitspraak van de rechtbank. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, onder 4. 3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij in dit geval van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België mocht uitgaan. Daarbij heeft zij van belang geacht dat betrokkenen vier keer een asielaanvraag hebben ingediend in België en daarom als Dublinclaimanten met een opvolgende aanvraag zullen worden aangemerkt. De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport van Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Belgium (2024 update)’ van 24 juni 2025 volgt dat deze groep vrijwel systematisch uitgesloten is van opvang en dat dit ook geldt voor gezinnen met minderjarige kinderen. De motivering van de minister dat betrokkenen recht zullen hebben op medische en juridische hulp heeft de rechtbank ondeugdelijk geacht. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305, volgt dat alle asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming. Zij heeft daarom geoordeeld dat ook betrokkenen geen effectief rechtsmiddel hebben om over de opvang te klagen. Beoordeling hoger beroep 5. De minister betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op grond van het AIDA-rapport niet de conclusie kan worden getrokken dat gezinnen met minderjarige kinderen met een opvolgende asielaanvraag structureel geen toegang krijgen tot de opvangvoorzieningen in België. Uit het rapport volgt dat Fedasil, de instantie die verantwoordelijk is voor de opvang, op grond van Belgische wetgeving de toegang tot opvang bij opvolgende aanvragen kan weigeren totdat is beslist of de asielaanvraag ontvankelijk is. Deze beslissing moet binnen tien werkdagen worden genomen. In het rapport staat dat dit in overeenstemming is met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn. De minister wijst terecht op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1050, onder 6.1, waarin zij heeft overwogen dat de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten geen opvang verlenen aan asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen, voordat die aanvraag ontvankelijk is verklaard, onvoldoende is om aan te nemen dat een vreemdeling na overdracht een reëel risico loopt om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen. Daarbij heeft zij onder andere betrokken dat dit in lijn is met de Opvangrichtlijn en dat het mogelijk is om over de toegang tot opvang te klagen bij de Belgische autoriteiten. 5.1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkenen in België geen toegang hebben tot een effectief rechtsmiddel. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305, overwogen dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Uit de in deze zaak overgelegde stukken blijkt echter dat dit niet geldt voor asielzoekers met een opvolgende asielaanvraag. De minister stelt terecht dat uit het AIDA-rapport blijkt dat klagen over de weigering van opvang na het indienen van een opvolgende asielaanvraag wel tot resultaten heeft geleid. In het rapport staat dat hierover gerechtelijke procedures en procedures bij de Belgische ombudsman zijn gevoerd, waarna de verzoekers alsnog opvang hebben gekregen. 5.2. Gelet op het voorgaande klaagt de minister terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor betrokkenen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België mocht uitgaan. 5.3. De grieven slagen. 6. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Conclusie 7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de minister de asielaanvragen als gevolg van tijdsverloop alsnog in behandeling moet nemen, hebben betrokkenen bereikt wat zij met hun beroepen beoogden. Daarom hebben betrokkenen geen belang meer bij de beoordeling van hun beroepen. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 februari 2026 in zaken nrs. NL25.53034 en NL25.53036; III. verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. De Jong griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 981