ECLI:NL:RVS:2026:4096
Raad van State · 2026-07-17 · Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Materiële kern
BRS.26.003319 ECLI:NL:RVS:2026:4096 Datum uitspraak: 17 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juni 2026 in zaak nr. NL26.29709 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 26 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat betrokkene in de schriftelijke uiteenzetting geen belangen naar voren heeft gebracht, hij geen toelichting heeft gegeven bij de door de rechtbank geconstateerde psychische kwetsbaarheid en hij daarvan ook geen medische stukken heeft overgelegd. De voorzieningenrechter schorst dus de uitspraak van de rechtbank. Daarom herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 mei 2026 onverkort gelden totdat de Afdeling op het hoger beroep van de minister heeft beslist. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juni 2026 in zaak nr. NL26.29709, totdat de Afdeling op het door de minister ingestelde hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Van Driesten griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026 1048