ECLI:NL:RVS:2026:4087
Raad van State · 2026-07-16 · Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 21 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen om onmiddellijk te vertrekken en terug te keren naar Somalië en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Materiële kern
BRS.26.003248 ECLI:NL:RVS:2026:4087 Datum uitspraak: 16 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [betrokkene], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 juni 2026 in zaak nr. NL25.57275 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen om onmiddellijk te vertrekken en terug te keren naar Somalië en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij aanvullend besluit van 25 november 2025 heeft de minister bepaald dat verzoeker ook op grond van een ‘removal order’ kan terugkeren naar China. Bij aanvullend besluit van 28 april 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker alsnog afgewezen als ongegrond, hem opgedragen om binnen vier weken te vertrekken en het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod opgeheven. Bij uitspraak van 23 juni 2026 heeft de rechtbank het tegen al deze besluiten door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. 2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Meijer voorzieningenrechter w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 392