← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:3643

Raad van State · 2026-07-01 · Hoger beroep

Zaaknummer
202408004/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
54.007 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Appellant heeft de Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant op 1 januari 2014 in Syrië traditioneel is gehuwd met [partner], geboren op [geboortedatum] 2001, en hij dat huwelijk direct heeft geconsummeerd. Dat wil zeggen dat appellant seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn huwelijkspartner. Op dit moment verblijven de huwelijkspartner en hun kinderen in Syrië. Het gaat de minister niet om het huwelijk zelf, maar om het feit dat appellant dat huwelijk heeft geconsummeerd met zijn huwelijkspartner die op dat moment dertien jaar oud was. De rechtbank is de minister hierin gevolgd. De Afdeling toetst in deze uitspraak of de rechtbank dat juist heeft gedaan.

Materiële kern

202408004/1/V2. Datum uitspraak: 1 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.22620 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen. De UNHCR heeft een reactie gegeven. Appellant heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. J.I.T. Sopacua, advocaat in Dordrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Favier en mr. J.P. Guérain, zijn verschenen. Verder is H. Rida als tolk verschenen. De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202405898/1/V2, 202406664/1/V2 en BRS.25.000796. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Appellant heeft de Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant op 1 januari 2014 in Syrië traditioneel is gehuwd met [partner], geboren op [geboortedatum] 2001, en hij dat huwelijk direct heeft geconsummeerd. Dat wil zeggen dat appellant seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn huwelijkspartner. Op dit moment verblijven de huwelijkspartner en hun kinderen in Syrië. Het gaat de minister niet om het huwelijk zelf, maar om het feit dat appellant dat huwelijk heeft geconsummeerd met zijn huwelijkspartner die op dat moment dertien jaar oud was. De rechtbank is de minister hierin gevolgd. De Afdeling toetst in deze uitspraak of de rechtbank dat juist heeft gedaan. 1.1. De minister heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 30b, aanhef en onder j, van de Vw 2000. In dat artikel staat dat de minister een asielaanvraag kan afwijzen als een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. 1.2. Er is onder meer sprake van zo’n gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid als een vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Het gaat in deze zaak om de uitleg en toepassing van dit artikel. In dit artikel staat dat, als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een persoon een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd buiten het land waar hij asiel heeft aangevraagd, voordat hij tot dit land is toegelaten, hij uitgesloten is van de werking van het Vluchtelingenverdrag. Dat betekent dat die persoon geen beroep kan doen op het Vluchtelingenverdrag en geen recht heeft op de vluchtelingenstatus. 1.3. Het gevolg hiervan is dat die vreemdeling ook geen recht heeft op een verblijfsvergunning in Nederland op andere gronden. Dit volgt uit artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 (verblijfsvergunning regulier) en uit artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 (subsidiaire bescherming). Het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan dus verstrekkende gevolgen hebben voor vreemdelingen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag restrictief worden uitgelegd. Het is aan de minister om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft, en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en motivering van de minister strenge eisen gesteld. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008, onder 3. 1.4. De minister heeft in zijn besluit aangenomen dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op foltering of een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Maar de minister werpt appellant tegen dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Daardoor is appellant dus ook uitgesloten van subsidiaire bescherming. 1.5. Het gaat in deze zaak om de vraag of appellant door het consummeren van een huwelijk met zijn minderjarige huwelijkspartner van dertien jaar oud een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd. De Afdeling is in deze uitspraak van oordeel dat dit het geval is. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.6. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Hoe is deze uitspraak opgebouwd? 2. Eerst legt de Afdeling uit hoe de minister moet beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf (onder 3 tot en met 3.6). Daarna gaat zij in op wat appellant heeft aangevoerd over de leeftijd van de huwelijkspartner toen het huwelijk werd geconsummeerd (onder 4 tot en met 4.4). Daarna past de Afdeling het toetsingskader toe op geconsummeerde huwelijken met een minderjarige huwelijkspartner en op de zaak van appellant (onder 5 tot en met 5.8). Verder bespreekt de Afdeling de vraag of appellant wist of behoorde te weten dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf pleegde (onder 6 tot en met 6.8). Vervolgens gaat de Afdeling in op wat appellant heeft aangevoerd over de omstandigheden van na het misdrijf en de evenredigheid (onder 7 tot en met 7.11). Tot slot gaat de Afdeling in op de SIS-signalering (onder 8 tot en met 8.3). Hoe moet de minister beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf? 3. De minister moet bij zijn beoordeling onder meer de Unierechtelijke wet- en regelgeving die gaat over de uitsluiting van internationale bescherming in acht nemen. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn gaat specifiek over de uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Volgens die bepaling wordt een onderdaan van een derde land of staatloze uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij buiten het land van toevlucht een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten. 3.1. Het Hof van Justitie heeft uitgelegd hoe de minister deze bepaling moet toepassen. Het Hof heeft in het arrest van 13 september 2018, Ahmed, ECLI:EU:C:2018:713, punt 41, overwogen dat de bepalingen uit de Kwalificatierichtlijn moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene systematiek en de doelstelling van die richtlijn met inachtneming van het Vluchtelingenverdrag en andere verdragen. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn moet dus volgens het Hof worden uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. 3.2. Het Hof heeft in de punten 55 tot en met 57 van het arrest Ahmed meerdere criteria genoemd op basis waarvan de lidstaten beoordelen of sprake is van een ernstig misdrijf. Het gaat onder meer om de aard van het gepleegde feit en de schade die is teweeggebracht. Hoewel het Hof deze criteria noemt in het kader van de uitsluiting van subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, zijn deze criteria ook van toepassing als het gaat om de uitsluiting van de vluchtelingenstatus bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof heeft namelijk in de punten 38 tot en met 51 van het arrest Ahmed uitgelegd dat deze artikelen vergelijkbaar zijn en beide moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van het Vluchtelingenverdrag. Daarbij heeft het Hof in punt 57 over die criteria overwogen dat er vergelijkbare aanbevelingen staan in het ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees’ (UNHCR Handboek), punten 155 tot en met 157. 3.3. De minister heeft de criteria uit het arrest Ahmed verwerkt in zijn beleid. Daarbij heeft de minister ook de criteria uit de "Background Note on the Application of the Exclusion Clauses" van de UNHCR (Background Note) in zijn beleid verwerkt. In paragraaf C2/7.10.7.2.3 van de Vc 2000 staat dat de beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, een individuele beoordeling betreft aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn: a. aard van het gepleegde feit/handeling; b. omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht; c. strafmaat; d. internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf; e. de gevolgde strafprocedure. 3.4. Volgens het beleid van de minister is het afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke van deze elementen - al dan niet in samenhang - relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling. 3.5. Het Hof heeft in het arrest van 30 april 2025, Galte, ECLI:EU:C:2025:292, een aanvulling gegeven op deze elementen in het kader van de uitsluiting van de vluchtelingenstatus bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof heeft in punt 40 herhaald dat de lidstaten bij de vaststelling of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf alle omstandigheden van het specifieke geval moeten onderzoeken. Daarbij heeft het Hof in punt 31 overwogen dat het begrip "misdrijf" weliswaar slaat op feitelijke omstandigheden uit het verleden, namelijk het moment waarop dit misdrijf werd gepleegd, maar dat het begrip "ernstig" daarentegen een beoordelingselement toevoegt dat in de loop van de tijd kan evolueren. Het is dus volgens het Hof niet uitgesloten dat de ernst van een niet-politiek misdrijf anders wordt beoordeeld op het moment dat het verzoek om internationale bescherming wordt onderzocht dan op het moment dat het niet-politieke misdrijf werd gepleegd. 3.6. Verder overweegt het Hof in punt 45 van het arrest Galte dat, om de ernst van het misdrijf in kwestie te beoordelen, de bevoegde autoriteit onder meer de aard van de betrokken daad moet onderzoeken, de op het misdrijf gestelde straf en de opgelegde straf, de tijd die is verstreken sinds het strafbare feit, het gedrag van de betrokkene gedurende die periode en het berouw dat de betrokkene in voorkomend geval heeft getoond. De Afdeling leidt uit de bewoordingen van het Hof "onder meer" in punt 45 af dat er nog meer elementen kunnen zijn die de lidstaten in hun beoordeling moeten betrekken. Zoals volgt uit punt 39 van het arrest Galte, gaat het uiteindelijk om de vraag of het niet-politieke misdrijf zo ernstig is dat de betrokkene niet legitiem aanspraak kan maken op de bescherming die aan de vluchtelingenstatus is verbonden. Dat moeten de lidstaten, en dus de minister, steeds per geval beoordelen. Wat was de leeftijd van de huwelijkspartner toen appellant het huwelijk met haar consummeerde? 4. Voordat de Afdeling beoordeelt of de minister terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing heeft geacht, is het van belang om vast te stellen wat de leeftijd van de huwelijkspartner was toen het huwelijk werd geconsummeerd. Dit is namelijk van belang voor het antwoord op de vraag of in deze zaak sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. 4.1. Appellant klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister in zijn besluit er terecht van uit is gegaan dat de huwelijkspartner dertien jaar was toen het huwelijk werd geconsummeerd. Appellant betoogt dat zijn partner in feite zestien jaar was toen zij het huwelijk consummeerden. Hoewel in de huwelijksakte van 18 november 2020 staat dat de partner is geboren op 1 januari 2001, is het volgens appellant een feit van algemene bekendheid dat in Syrië de geboorte en de geboortedatum achteraf worden geregistreerd. In die akte staat volgens appellant alleen de formele leeftijd van de huwelijkspartner, die verschilt van de feitelijke leeftijd. Daarbij betoogt appellant dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de leeftijd van zijn huwelijkspartner. Appellant wijst erop dat hij analfabeet is en dat hij tijdens het nader gehoor alleen heeft verklaard wat de formele leeftijd is van de partner. Verder had de rechtbank volgens appellant meer gewicht moeten toekennen aan het feit dat het meer dan onwaarschijnlijk is dat de partner op 1 januari is geboren. Tot slot wordt in Syrië niet naar de leeftijd gekeken voor wat betreft de huwbaarheid, maar naar de biologische staat van een huwelijkspartner, aldus appellant. 4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister in zijn besluit er terecht van uit is gegaan dat de partner van appellant dertien jaar was toen het huwelijk werd geconsummeerd. Appellant heeft erop gewezen dat hij analfabeet is, maar de rechtbank heeft terecht in haar oordeel betrokken dat appellant tijdens het nader gehoor en het 1F-gehoor duidelijk heeft verklaard dat zijn partner dertien jaar was toen de minister dat aan appellant vroeg. Uit de gehoren blijkt verder niet dat appellant dit alleen zou hebben verklaard, omdat dit de formele leeftijd van de partner zou zijn die in de huwelijksakte staat. 4.3. Daarnaast heeft de rechtbank terecht in haar oordeel betrokken dat in de huwelijksakte staat dat de partner is geboren op 1 januari 2001 en dus dertien jaar was toen het huwelijk werd geconsummeerd. Appellant heeft zijn argumenten waarom er in de huwelijksakte een verkeerde geboortedatum zou staan, niet met stukken onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om minder waarde te hechten aan de huwelijksakte omdat de datum 1 januari volgens appellant onwaarschijnlijk zou zijn. 4.4. De eerste grief faalt. Dit betekent dat de Afdeling ervan uitgaat dat de huwelijkspartner van appellant dertien jaar oud was toen het huwelijk werd geconsummeerd. Is het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner een ernstig niet-politiek misdrijf? 5. De delen van het beleid van de minister die in deze zaak relevant zijn, zijn in zijn algemeenheid een juiste verwoording van de rechtspraak op dit punt. Daarom toetst de Afdeling hieronder of de minister dat beleid ook juist heeft toegepast. Is er sprake van een internationale (rechterlijke) consensus? 5.1. Een element om te bepalen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf , gaat over de vraag of er een internationale (rechterlijke) consensus bestaat dat het gepleegde feit is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf. Dit is het element onder d van het beleid van de minister. De achtergrond van dit element is dat het van belang is dat alle staten die partij zijn bij het Vluchtelingenverdrag, ondanks hun verschillende rechtssystemen en opvattingen over de ernst van misdrijven, het Vluchtelingenverdrag zoveel mogelijk op dezelfde manier uitleggen en toepassen. Zie het UNHCR Handboek, paragraaf 155. Het bestaan van een internationale consensus dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf kan worden afgeleid uit internationale verdragen waar veel staten bij zijn aangesloten, of uit met elkaar overeenkomende wetgeving van staten. Volgens de UNHCR kan een dergelijke consensus worden aangenomen wanneer de meeste staten (‘most jurisdictions’) het gepleegde feit kwalificeren als een ernstig niet-politiek misdrijf. Zie de Background Note, paragraaf 39. Het is op dit punt dus niet bepalend of het gepleegde feit in Nederland of Syrië als een ernstig niet-politiek misdrijf wordt aangemerkt. 5.1.1. Gelet op de standpunten van partijen hierover, heeft de Afdeling aanleiding gezien om vragen te stellen aan de UNHCR. De UNHCR heeft op grond van artikel 35, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag een bijzondere positie. Zijn taak is om toe te zien op de toepassing van de bepalingen van dit verdrag. In dat kader adviseert de UNHCR staten over de uitleg en toepassing van het Vluchtelingenverdrag, waaronder artikel 1(F) van dat verdrag. Bij brief van 30 september 2025 heeft de UNHCR de vragen van de Afdeling beantwoord. De antwoorden van de UNHCR zijn als bijlage opgenomen en maken deel uit van deze uitspraak. Wat heeft appellant hierover aangevoerd? 5.2. Appellant klaagt in zijn tweede grief onder meer over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft gesteld dat sprake is van internationale (rechterlijke) consensus dat het door appellant gepleegde feit een ernstig niet-politiek misdrijf is. Appellant betoogt dat de Syrische en de Nederlandse strafwetgeving niet bepalend zijn om internationale consensus aan te nemen en dat dit vanuit internationaal perspectief moet worden bezien. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar artikel 19 van het IVRK (het Kinderrechtenverdrag), omdat het consummeren van huwelijken met minderjarigen niet onder die bepaling valt. Daarnaast stelt appellant dat in veel staten in het Midden-Oosten geldt dat een huwelijk met een minderjarige is toegestaan op grond van religieuze overtuigingen en dat dat in die staten heel normaal is. 5.2.1. Verder verwijst appellant naar twee arresten van de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 26 maart 2021, in zaak nr. 251 696, en van 7 september 2021, in zaak nr. 260 333. Appellant betoogt dat daaruit volgt dat het vooral van belang is dat geen sprake was van dwang toen het huwelijk werd geconsummeerd met een minderjarige. Tot slot betoogt appellant dat de antwoorden van de UNHCR van 30 september 2025 niet tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van internationale (rechterlijke) consensus. De UNHCR heeft haar conclusies onder meer gebaseerd op haar vaststelling dat de meeste staten het erover eens zijn dat minderjarigen tot veertien jaar niet in staat zijn om toestemming te geven voor seksuele handelingen. Maar de UNHCR heeft dit alleen gebaseerd op een studie over Europese staten en die studie gaat dus niet over de meeste staten van de wereld, aldus appellant. Internationale verdragen 5.3. De Afdeling is van oordeel dat appellant zijn klacht in de tweede grief terecht heeft voorgedragen, maar dat die grief niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank haar oordeel dat sprake is van internationale (rechterlijke) consensus, niet kon baseren op artikel 19 van het Kinderrechtenverdrag. Uit dat artikel volgt dat de staten die bij dat verdrag zijn aangesloten, maatregelen moeten nemen om kinderen te beschermen tegen alle vormen van seksueel geweld, letsel of misbruik. Maar die bepaling heeft niet specifiek betrekking op een verbod op seksuele handelingen met minderjarigen in de context van een traditioneel huwelijk. Daarom kan uit die bepaling niet worden afgeleid dat de meeste staten vinden dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner een ernstig niet-politiek misdrijf is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:550, onder 2.4. 5.3.1. De minister heeft in zijn besluit van 23 mei 2024 en in zijn schriftelijke uiteenzetting van 28 april 2025 verder gewezen op het IVBPR, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag inzake huwelijkstoestemming van 10 december 1962, de VN-resolutie van 1 juli 2023, A/HRC/RES/53/23, over kindhuwelijken en General Comment nr. 13 (2011), CRC/C/GC/13, van het Kinderrechtencomité. Maar ook uit deze stukken kan naar het oordeel van de Afdeling geen internationale overeenstemming worden afgeleid over een specifiek verbod op seksuele handelingen met minderjarigen in de context van een traditioneel huwelijk. 5.3.2. De minister heeft verder gewezen op het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. In artikel 18 van het laatstgenoemde verdrag staat een verplichting tot strafbaarstelling van seksuele handelingen met minderjarigen die volgens het recht van het betreffende land de seksuele meerderjarigheid nog niet hebben bereikt. Maar bij dit verdrag zijn alleen staten uit Europa aangesloten. Daarom kan hieruit niet worden afgeleid dat de meeste staten van de wereld vinden dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner een ernstig niet-politiek misdrijf is. 5.3.3. De Afdeling concludeert dan ook dat uit de hiervoor genoemde internationale rechtsbronnen niet kan worden afgeleid dat de meeste staten van de wereld vinden dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner van dertien jaar een ernstig niet-politiek misdrijf is. In dat kader verwijst de Afdeling naar punt 25 van de brief van de UNHCR. Daarin concludeert de UNHCR dat de bestaande internationale rechtsinstrumenten geen basis kunnen vormen voor de conclusie dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner een ernstig niet-politiek misdrijf is. Nationale wetgeving van staten over zedenmisdrijven 5.4. De UNHCR licht vervolgens in haar brief toe dat uit de nationale wetgeving van staten wel kan worden afgeleid wat de meeste staten van de wereld vinden. Daarom is het volgens de UNHCR noodzakelijk om te onderzoeken wat er in de nationale wetgeving van de staten is geregeld over de strafbaarstelling van seksuele gemeenschap tussen een volwassene en een minderjarige, al dan niet in de context van het consummeren van een huwelijk. 5.4.1. Volgens de UNHCR blijkt uit de beschikbare landeninformatie dat de meeste staten in hun nationale strafrecht, of specifieke wetgeving over zedenmisdrijven, bepalingen hebben opgenomen waarin een minimumleeftijd is vastgelegd om toestemming te kunnen geven voor seksuele handelingen. Als een volwassene seksuele gemeenschap heeft met een minderjarige die jonger is dan de wettelijke minimumleeftijd, definiëren de meeste staten die handeling onder meer als verkrachting, ernstig seksueel misbruik of ontering. Volgens de UNHCR zijn er verschillen in de hoogte van de minimumleeftijd die staten hebben vastgelegd in hun wetgeving. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de meeste staten een minimumleeftijd hebben vastgesteld van veertien jaar of ouder om toestemming te kunnen geven voor seksuele handelingen. De Afdeling verwijst naar punt 26 van de brief van de UNHCR. 5.4.2. De UNHCR concludeert vervolgens in de punten 27 en 28 van de brief dat seksuele gemeenschap tussen een volwassene en een minderjarige die jonger is dan veertien jaar, en die dus niet in staat is om daarvoor toestemming te geven, een ernstig niet-politiek misdrijf is. Dit is ook het geval als de wetgeving van de betreffende staat waar het misdrijf is gepleegd, een lagere of geen minimumleeftijd kent of als het misdrijf niet als ernstig wordt beschouwd. Het maakt voor de kwalificatie als een ernstig niet-politiek misdrijf ook niet uit dat het feit volgens de wet van de staat waar het is gepleegd niet strafbaar is binnen een huwelijk. Evenmin is relevant dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige onder de minimumleeftijd gebruikelijk is volgens de plaatselijke cultuur, religie, traditie of gewoonte. 5.4.3. Volgens de UNHCR is ook sprake van een ernstig niet-politiek misdrijf als de minderjarige veertien jaar of ouder is, maar die minderjarige geen toestemming heeft gegeven of die toestemming niet in vrijheid heeft kunnen geven. Bijvoorbeeld door bedreiging, bedreiging met geweld, of andere vormen van fysieke of psychologische dwang. 5.4.4. Appellant heeft tijdens de zitting bij de Afdeling betoogd dat deze conclusies van de UNHCR slechts zijn gebaseerd op een studie over de minimumleeftijd in Europese staten: Guangxing Zhu and Suzan van der Aa, Trends of age of consent legislation in Europe: ‘A comparative study on 59 jurisdictions on the European continent’, New Journal of European Criminal Law 2017, Vol. 8(1). De UNHCR verwijst naar die studie in voetnoot 48 van zijn brief. Deze studie gaat dus niet over de meeste staten van de wereld, aldus appellant. 5.4.5. Het betoog van appellant slaagt niet. De Afdeling volgt de bevindingen en de conclusies van de UNHCR. De Afdeling is van oordeel dat de UNHCR haar conclusies heeft kunnen baseren op de beschikbare landeninformatie die zij heeft genoemd in de brief van 30 september 2025. De UNHCR heeft haar conclusies niet alleen gebaseerd op een studie over Europese staten. De UNHCR noemt in voetnoot 47 van de brief namelijk ook rapporten die gaan over de wettelijke minimumleeftijd voor het kunnen geven van toestemming voor seksuele handelingen in verschillende werelddelen. De Afdeling bespreekt die rapporten hierna per werelddeel. Azië en de Pacifische eilanden 5.4.5.1. De UNHCR verwijst onder meer naar een rapport van het United Nations Population Fund over de seksuele gezondheid in Azië. Het gaat om het rapport ‘My Body is My Body, My Life is My Life: Sexual and reproductive health and rights of young people in Asia and the Pacific’, UNFPA, Bangkok, 2021. Uit dat rapport volgt dat van de 32 onderzochte staten, alleen in de Filipijnen een leeftijdsgrens van twaalf jaar voor seksuele gemeenschap wordt toegepast. Er zijn geen staten die een leeftijdsgrens toepassen van dertien jaar, tenzij het leeftijdsverschil tussen de betrokken personen gering is. Afghanistan, Iran en de Malediven passen geen wettelijke leeftijdsgrens toe, maar die staten vereisen een huwelijk om toestemming te kunnen geven voor seksuele gemeenschap. In dat kader mag in Afghanistan een meisje op zestienjarige leeftijd trouwen, in Iran mag een meisje in beginsel op dertienjarige leeftijd trouwen en in de Malediven is dat achttien jaar. De overige staten die in dat rapport worden genoemd, passen een leeftijdsgrens toe van veertien jaar of ouder. 5.4.5.2. De UNHCR verwijst ook naar het rapport van het United Nations Children's Fund: ‘Beyond Marriage and Motherhood: Empowering girls by addressing adolescent pregnancies, child marriages and early unions — Tailoring Programme interventions for Southeast Asia and the Pacific’, UNICEF East Asia and Pacific Regional Office, Bangkok, 2022. In dat rapport worden minder staten genoemd dan in voornoemd rapport. De leeftijdsgrenzen van vijftien en zestien jaar komen het meeste voor. Zuid-Amerika en het Caribisch gebied 5.4.5.3. De UNHCR verwijst voor wat betreft Zuid-Amerika en het Caribisch gebied naar het rapport van UNICEF: ‘Legal minimum ages and the realization of adolescents' right’s: A review of the situation in Latin America and the Caribbean’, januari 2016. UNICEF stelt vast dat de meeste staten in Zuid-Amerika en het Caribisch gebied een leeftijdsgrens toepassen van zestien jaar. Daarnaast stelt UNICEF in dat rapport vast dat drie staten een minimum leeftijdsgrens toepassen van veertien jaar. Afrika 5.4.5.4. De UNHCR verwijst voor wat betreft Afrika naar het rapport van Equality Now: ‘Barriers to Justice: Rape in Africa, Law, Practice and Access to Justice’, 2024. Uit dat rapport volgt dat in totaal zes staten en sommige delen van Nigeria een leeftijdsgrens toepassen van dertien jaar of jonger. In totaal zijn er vijf staten die een leeftijdsgrens toepassen van veertien jaar en vijf staten die een leeftijdsgrens toepassen van vijftien jaar. De overige Afrikaanse staten passen een leeftijdsgrens toe van zestien of achttien jaar. Hieruit kan worden afgeleid dat de meeste staten in Afrika een leeftijdsgrens toepassen van vijftien jaar of hoger. Europa 5.4.5.5. De UNHCR heeft, zoals weergegeven onder 5.4.4., voor wat betreft Europa verwezen naar een studie over de leeftijdsgrens in Europese staten. Daaruit volgt dat er geen staten zijn die een leeftijdsgrens toepassen van onder de veertien jaar. Er zijn volgens die studie dertien staten die een leeftijdsgrens toepassen van veertien jaar. De overige Europese staten passen dus een leeftijdsgrens toe van vijftien jaar of ouder. Van de Faeröer eilanden is de leeftijdsgrens niet bekend. Arabische staten 5.4.5.6. De UNHCR verwijst, naast rapporten over verschillende werelddelen, ook naar een rapport over Arabische staten verspreid over de wereld van Equality Now: ‘In Search of Justice: Rape laws in the Arab States’, september 2025. De UNHCR verwijst naar Annex 1 van dat rapport waarin de betreffende Arabische staten worden genoemd. Daarin wordt per land de straf voor verkrachting genoemd en vermeld of dat delict is gebaseerd op het ontbreken van toestemming. Daaruit valt niet af te leiden welke leeftijdsgrenzen de betreffende Arabische staten toepassen voor het kunnen geven van toestemming voor seksuele handelingen. Ook is niet duidelijk of daar bijvoorbeeld een huwelijk voor is vereist en vanaf welke leeftijd het is toegestaan om te huwen. Het is dus onduidelijk wat de leeftijdsgrenzen zijn voor het kunnen geven van toestemming voor seksuele handelingen in de Arabische staten die in dat rapport worden genoemd. Het oordeel van de Afdeling over de conclusies van de UNHCR 5.4.6. Hoewel het dus onduidelijk is wat de leeftijdsgrenzen zijn in de Arabische staten die in het hiervoor genoemde rapport worden genoemd, heeft de UNHCR de conclusies in zijn brief gebaseerd op rapporten waarin vrijwel alle werelddelen worden betrokken. Daaruit blijkt dat een kleine minderheid van staten een leeftijdsgrens toepast van dertien jaar of jonger om te kunnen instemmen met seksuele handelingen. De Afdeling is van oordeel dat de UNHCR op basis daarvan heeft kunnen concluderen dat de meeste staten eisen dat een kind ten minste veertien jaar of ouder is om met seksuele handelingen te kunnen instemmen. 5.4.7. Zoals overwogen onder 5.4.1 en 5.4.2, heeft de UNHCR in de punten 26 tot en met 28 van de brief toegelicht dat de meeste staten seksuele gemeenschap met een minderjarige van jonger dan veertien jaar kwalificeren als verkrachting of als ernstig seksueel misbruik en dat dus sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. In het verlengde daarvan heeft de UNHCR toegelicht dat, als de seksuele gemeenschap binnen het huwelijk plaatsvindt, dat ook wordt beschouwd als een ernstig niet-politiek misdrijf. De Afdeling verwijst verder naar paragraaf 40 van de Background Note waarin verkrachting als voorbeeld wordt genoemd van een ernstig niet-politiek misdrijf. De Afdeling heeft eerder overwogen dat verkrachting daarom onder de reikwijdte valt van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:238, onder 1.3 en 1.4. 5.4.8. De Afdeling volgt daarom ook de conclusie van de UNHCR dat de meeste staten van opvatting zijn dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf als een vreemdeling een huwelijk consummeert met een minderjarige huwelijkspartner die jonger is dan veertien jaar. De Afdeling volgt eveneens de conclusie van de UNHCR dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf indien de huwelijkspartner ouder is dan veertien jaar, maar niet in vrijheid toestemming heeft gegeven of heeft kunnen geven voor het consummeren van het huwelijk. Dat, zoals appellant betoogt, het in New York en Australië onder voorwaarden zou zijn toegestaan om te trouwen met minderjarigen van veertien jaar, zo dit al juist is, verandert deze conclusie niet. 5.4.9. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat er internationale consensus bestaat dat het hebben van seksuele gemeenschap met een minderjarige van dertien jaar, al dan niet binnen een huwelijk, is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf. De aard van het misdrijf en de omvang van de gevolgen 5.5. De Afdeling ziet deze conclusie ondersteund door de andere elementen die worden genoemd in het beleid van de minister, waaronder de aard en de ernst van het misdrijf en de omvang van de gevolgen voor het slachtoffer. Dit zijn de elementen onder a en b van het beleid van de minister. In dat kader klaagt appellant in zijn tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat seksuele gemeenschap tussen een volwassene en een minderjarige van dertien jaar naar haar aard een zeer ernstig misdrijf is. Appellant betoogt dat de rechtbank dit heeft overwogen vanuit een Nederlands dan wel westers perspectief, terwijl de rechtbank dit vanuit een internationaal perspectief had moeten oordelen. 5.5.1. Anders dan appellant betoogt, is niet gebleken dat de rechtbank heeft geoordeeld vanuit een Nederlands of westers perspectief. Zoals hiervoor overwogen, vinden de meeste staten van de wereld dat het hebben van seksuele gemeenschap tussen een volwassene en een minderjarige van dertien jaar een ernstig niet-politiek misdrijf is. Daarbij maakt het niet uit of dit misdrijf binnen een huwelijk is gepleegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister terecht heeft gesteld dat het hebben van seksuele gemeenschap met een dertienjarige, zoals in het geval van appellant, naar zijn aard een ernstig misdrijf is. De rechtbank heeft terecht gewezen op de zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en de langdurige nadelige psychische gevolgen daarvan. Daarbij verwijst de Afdeling naar punt 9 van de brief van de UNHCR. De UNHCR licht onder meer toe dat huwelijken met minderjarigen en de daaraan gerelateerde seksuele en psychische schade vormen kunnen zijn van onderdrukking van kinderen. 5.5.2. De rechtbank heeft verder terecht in haar oordeel betrokken dat een minderjarige van dertien jaar oud niet in staat kan worden geacht om zijn of haar seksuele integriteit te bewaken en weerstand te bieden aan een volwassene. De rechtbank heeft terecht overwogen dat minderjarigen, vanwege hun leeftijd, beschermd moeten worden tegen personen die van hen seksueel misbruik willen maken. De Afdeling verwijst op dit punt naar de toelichting van de UNHCR in punt 8 van haar brief. Daarin wijst de UNHCR op de in meerdere verdragen neergelegde verplichting om kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld en seksueel misbruik, ook in de context van een huwelijk. 5.5.3. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister de aard en ernst van het misdrijf en de gevolgen daarvan terecht bij zijn conclusie heeft betrokken dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De strafmaat 5.6. Voor wat betreft de strafmaat, element c in het beleid van de minister, is het arrest Ahmed van belang. In die zaak had de Hongaarse rechter aan het Hof gevraagd of het is toegestaan dat alleen de straf die op het misdrijf staat volgens het Hongaarse recht, bepalend is om een gepleegd feit aan te merken als een ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof heeft in punt 55 van het arrest overwogen dat de straf die volgens het strafrecht van de betrokken lidstaat op een misdrijf is gesteld, bijzonder belangrijk is. Maar daarbij moet die lidstaat volgens het Hof wel onderzoek doen naar alle specifieke feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de individuele persoon, om uit te maken of die persoon kan worden uitgesloten van internationale bescherming. 5.6.1. De Afdeling leidt hieruit af dat de minister voor wat betreft de strafmaat kan verwijzen naar de maximale straf die volgens het Nederlandse strafrecht op het misdrijf is gesteld. Dat was een gevangenisstraf van acht jaar op grond van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht toen appellant het huwelijk consummeerde. Hoewel die bepaling vereiste dat de seksuele gedraging "buiten echt" heeft plaatsgevonden, werd echter ook al ten tijde van de consummatie van het huwelijk van appellant in Syrië in Nederland in ieder geval geen ontheffing van de minimumleeftijd voor huwelijkspartners meer gegeven voor huwelijkspartners jonger dan vijftien jaar. Daarnaast zou, ook toen appellant het huwelijk consummeerde, zijn in het buitenland gesloten kindhuwelijk niet in Nederland worden erkend vanwege strijd met de openbare orde. De minister heeft dan ook terecht deze strafbepaling als uitgangspunt genomen voor de beoordeling welk misdrijf en welke maximale strafbedreiging moeten worden betrokken bij de vraag of appellant een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd. In het beleid van de minister bij de toelichting op het element over de strafmaat staat dat hij de maximumstraf betrekt bij zijn beoordeling. De rechtbank heeft in haar oordeel betrokken dat de minister er terecht op heeft gewezen dat het hebben van seksuele gemeenschap met een minderjarige van dertien jaar oud in het Nederlandse strafrecht is aangemerkt als een misdrijf waarop hoge straffen staan. Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank niet bestreden. Conclusie over de elementen uit het beleid van de minister 5.7. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister aan de hand van de elementen uit het beleid terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. 5.8. De tweede grief faalt. Wist appellant of had hij behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde? 6. Om te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk moet worden gehouden, wordt onderzocht of kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven ("knowing participation") en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan aan een vreemdeling artikel 1(F) worden tegengeworpen. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de "personal and knowing participation-test" (artikelen 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome). Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2350, onder 2.1. 6.1. Niet in geschil is dat appellant het huwelijk heeft geconsummeerd en dat hij dus het misdrijf heeft gepleegd. Daarom is sprake van "personal participation". Partijen verschillen van mening over of het bestaan van "knowing participation" kan worden aangenomen. De Afdeling heeft eerder overwogen dat hiervoor niet is vereist dat een vreemdeling zich, toen hij de gedragingen verrichtte, ook daadwerkelijk bewust was van het 1(F)-karakter hiervan. Het gaat erom dat de vreemdeling wist of had behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde en niet dat hij wist of het ernstig genoeg was om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3064, onder 3.2. Wat heeft appellant hierover aangevoerd? 6.2. Appellant klaagt in zijn derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft aangenomen dat appellant wist of had behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. Appellant betoogt dat het niet strafbaar is in Syrië om seksuele gemeenschap te hebben met een minderjarige van jonger dan vijftien jaar als dit binnen een huwelijk plaatsvindt. Appellant heeft om dit standpunt te onderbouwen in hoger beroep twee e-mails van 18 juni 2025 en 15 juli 2025 van [persoon] overgelegd. Hij is een Syrische advocaat en arabist. In die mails concludeert [persoon] dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner van dertien jaar niet strafbaar is in Syrië. 6.3. Appellant betoogt verder dat het normaal is om in Syrië huwelijke