ECLI:NL:RVS:2026:3555
Raad van State · 2026-06-22 · Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 25 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Materiële kern
BRS.26.001932 en BRS.26.001933 ECLI:NL:RVS:2026:3555 Datum uitspraak: 22 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 april 2026 in zaak nr. 20/3668 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 25 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 13 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Appellant heeft een nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Wat u in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft u niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de minister wordt gevolgd in zijn standpunt dat u niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. In hoger beroep legt u niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel geven over uw hoger beroep. Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, die maken dat uw hoger beroep toch inhoudelijk moet worden behandeld omdat u een onmiskenbaar risico loopt op onmenselijke behandeling. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Koelman griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026 1021