← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:3401

Raad van State · 2026-06-15 · Voorlopige voorziening

Zaaknummer
BRS.26.002216
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.649 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 31 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Materiële kern

BRS.26.002216 ECLI:NL:RVS:2026:3401 Datum uitspraak: 15 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, betrokkene, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.5976 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist. 2. Mede gelet op artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, moet de minister binnen zes maanden na de dag van verzending van de uitspraak van 28 april 2026 een nieuw besluit op de aanvraag nemen. Omdat voor afloop van die termijn en het verstrijken van de overdrachtstermijn op 28 oktober 2026 een uitspraak op het hoger beroep wordt verwacht en de minister geen andere spoedeisende omstandigheden heeft gesteld, is er op dit moment geen spoedeisend belang dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt. 3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. wijst het verzoek af; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Verburg voorzieningenrechter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026 644-1102