ECLI:NL:RVS:2026:3236
Raad van State · 2026-06-08 · Hoger beroep
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 3 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
BRS.25.001375 ECLI:NL:RVS:2026:3236 Datum uitspraak: 8 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van: 1. de minister van Asiel en Migratie, 2. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] mede namens hun kinderen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 september 2025 in zaken nrs. NL25.11288, NL25.11289, NL25.11290 en NL25.11292 in het geding tussen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], mede namens hun kinderen en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 3 maart 2025 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkenen, vader, moeder en hun twee kinderen, hebben de Turkse nationaliteit. Zij hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij Gülenaanhangers zijn en vrezen voor vervolging door de Turkse autoriteiten. De minister heeft geloofwaardig geacht dat betrokkenen bij de Gülenbeweging betrokken zijn, maar hij heeft niet geloofwaardig geacht dat zij daardoor problemen hebben ondervonden of bij terugkeer zullen ondervinden. Het oordeel van de rechtbank 2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de beleidswijziging van 1 december 2023 voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24), waarbij de risico’s bij terugkeer niet langer worden beoordeeld in het licht van de "diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten", niet deugdelijk heeft gemotiveerd in het licht van de Algemeen ambtsberichten Turkije van augustus 2023 en februari 2025. Het hoger beroep van de minister 3. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. In de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7‑7.10, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot de vanaf 1 december 2023 geldende wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24) heeft kunnen komen. 3.1. De eerste grief slaagt. 4. De tweede grief, gericht tegen de conclusie van de rechtbank dat de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven en dat de beroepen gegrond zijn, slaagt gelet op het voorgaande ook. Aangezien de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beleidswijziging onrechtmatig is, heeft zij ook ten onrechte niet de overige beroepsgronden van betrokkenen besproken. 4.1. De tweede grief slaagt. Het incidenteel hoger beroep van betrokkenen 5. Het incidenteel hoger beroep van betrokkenen leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Conclusie 6. Het hoger beroep van de minister is gegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkenen is ongegrond. Het hogerberoepschrift en het incidenteel hogerberoepschrift roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 september 2025 in zaken nrs. NL25.11288, NL25.11289, NL25.11290 en NL25.11292; IV. wijst de zaken naar de rechtbank terug. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Prinsgriffier Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026 363-1088