← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:2946

Raad van State · 2026-05-26 · Voorlopige voorziening

Zaaknummer
BRS.26.002031
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.304 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 18 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Materiële kern

BRS.26.002031 ECLI:NL:RVS:2026:2946 Datum uitspraak: 26 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker 1], [verzoeker 2], mede namens hun minderjarige kinderen verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 april 2026 in zaken nrs. NL25.56795 en NL25.56797 in het geding tussen: [verzoeker 1], [verzoeker 2], mede namens hun minderjarige kinderen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 18 november 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraken hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen. 2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. Soffers voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 987