ECLI:NL:RVS:2026:2832
Raad van State · 2026-05-21 · Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 4 maart 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
BRS.26.002156 ECLI:NL:RVS:2026:2832 Datum uitspraak: 21 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 april 2026 in zaak nr. NL22.19025 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 4 maart 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris een opvolgende aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij besluit van 30 januari 2025 heeft de minister een verzoek van betrokkene om bestuurlijke heroverweging van het besluit van 4 maart 2019 afgewezen. Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het tegen de besluiten van 25 augustus 2022 en 30 januari 2025 door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 augustus 2022 vernietigd voor zover daarbij de ingangsdatum is bepaald op 1 maart 2022, het besluit van 30 januari 2025 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op het verzoek om heroverweging en daarbij de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepaalt op 3 november 2018. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. Gelet op de belangen die de minister naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier. w.g. De Poorter voorzieningenrechter w.g. Salverda griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026 992