Zaak

ECLI:NL:RVS:2024:557

Instantie
Raad van State
Datum
2024-02-12
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202302672/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.052 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 15 maart 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

202302672/1/V2. Datum uitspraak: 12 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 april 2023 in zaak nr. NL23.8460 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 21 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       De vreemdeling komt uit Pakistan en heeft aan haar opvolgende aanvraag nieuwe verklaringen en documenten ten grondslag gelegd om haar in de vorige procedure ongeloofwaardig geachte asielrelaas, namelijk de gestelde problemen die zij heeft ondervonden door haar ex-vriend, aannemelijk te maken. De staatssecretaris heeft de huidige aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de vreemdeling haar asielrelaas niet alsnog aannemelijk heeft weten te maken. De rechtbank is hem hierin gevolgd. 2.       De vreemdeling klaagt in de grieven terecht dat de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid heeft gevolgd zonder de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden gemotiveerd te bespreken. De rechtbank heeft daarmee in afwijking van het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb geen uitspraak gedaan op de grondslag van het beroepschrift. 3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        verklaart het hoger beroep gegrond; II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 april 2023 in zaak nr. NL23.8460; III.       wijst de zaak naar de rechtbank terug; IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Schipper-Spanninga lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2024 802-1063

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...