ECLI:NL:RVS:2023:1484
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2023-04-17
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Materiële kern
202200300/1/V2. Datum uitspraak: 17 april 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 januari 2022 in zaak nr. NL21.15627 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Bij uitspraak van 10 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. In de uitspraak van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054, heeft de Afdeling geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Venezuela niet zo ernstig is dat een vreemdeling met de Venezolaanse nationaliteit enkel door zijn aanwezigheid daar een risico loopt op ernstige schade. In diezelfde uitspraak heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij alleen politiek activisten die significante kritiek uiten op de autoriteiten, als risicogroep heeft aangemerkt. Het huidige risicogroepenbeleid van de staatssecretaris voor politieke activisten uit Venezuela staat in redelijke verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Dit betekent dat de negende en tiende grief falen. 1.1. Dat wat de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier. w.g. Baldinger lid van de enkelvoudige kamer w.g. Iedema griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2023 968
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...