Zaak

ECLI:NL:RVS:2023:139

Instantie
Raad van State
Datum
2023-01-17
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202205176/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.972 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De vreemdelingen hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op hun aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

05Kern

Materiële kern

202205176/1/V2. Datum uitspraak: 17 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 18 augustus 2022 in zaken nrs. NL21.18282 en NL21.18283 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op hun aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 18 augustus 2022 heeft de rechtbank die beroepen gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de staatssecretaris opgedragen uiterlijk op 26 augustus 2022 nieuwe besluiten bekend te maken en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00. Bij besluiten van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Tegen de uitspraak van 18 augustus 2022 heeft de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich en mr. M.R. Botman, advocaten te Den Haag, hoger beroep ingesteld. De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Daarop heeft de staatssecretaris gereageerd. Overwegingen 1.       In zijn grieven richt de staatssecretaris zich tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Stb. 2020, 242), zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend moet worden geacht voor zover daarin aan de vreemdelingenrechter de mogelijkheid wordt onthouden om aan zijn uitspraak een dwangsom te verbinden. 2.       Het hoger beroep gaat over een rechtsvraag die de Afdeling heeft beantwoord in haar uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353 (onder 5 tot en met 5.9, over artikel 1 van de Tijdelijke wet, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, en het beginsel van effectieve rechtsbescherming). 3.       De vreemdelingen brengen in hun schriftelijke uiteenzetting terecht naar voren dat de staatssecretaris geen belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat hij binnen de door de rechtbank gestelde termijn alsnog een besluit heeft genomen en hij de vreemdelingen daarom geen rechterlijke dwangsom is verschuldigd. Verder is het door de staatssecretaris aangevoerde zaaksoverstijgende belang van eenheid in de rechtspraak van de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag met de onder 2 genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 vervallen. 4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de dwangsom wegens het niet tijdig nemen van de besluiten, en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak aan als "licht" en past zij wegingsfactor 0,5 toe.  Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 418,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Wissels lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023 968

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...