ECLI:NL:RVS:2022:3682
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2022-12-12
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluiten van 13 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van de vreemdelingen ingewilligd, zonder daarbij vast te stellen dat hij aan de vreemdelingen een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd.
Materiële kern
202204875/1/V3. Datum uitspraak: 12 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 juli 2022 in zaken nrs. NL22.3066 en NL22.3067 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluiten van 13 april 2022 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen ingewilligd, zonder daarbij vast te stellen dat hij aan de vreemdelingen een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd. Bij uitspraak van 26 juli 2022 heeft de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de besluiten van 13 april 2022 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E.R. Coene, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, onder 5 tot en met 5.5 en onder 9.1 en 9.2, over artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van effectieve rechtsbescherming). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2022 644
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...