Zaak

ECLI:NL:RVS:2022:3

Instantie
Raad van State
Datum
2022-01-03
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202103524/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.390 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 13 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

202103524/1/V2. Datum uitspraak: 3 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 mei 2021 in zaak nr. NL21.5874 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 13 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 26 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.       Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die door de Afdeling is beantwoord bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2022:1. Die uitspraak gaat over de toepasselijkheid van artikel 12, eerste lid, onder a, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag op staatloze Palestijnen die nooit bescherming en bijstand van de UNRWA hebben ontvangen, en ook niet in één van de sectoren van het werkgebied van de UNRWA hebben verbleven. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Baldinger lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2022 363-984

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...