ECLI:NL:RVS:2022:2130
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2022-07-27
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 16 juli 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Materiële kern
202006366/1/V2. Datum uitspraak: 27 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 november 2020 in zaak nr. NL20.14460 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 16 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Bij uitspraak van 24 november 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A.H. Schoofs, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. De vreemdeling heeft namelijk aangevoerd dat de reden voor zijn opvolgende asielaanvraag is dat hij, anders dan in zijn eerste asielprocedure, in staat is om gehoord te worden voor zijn asielrelaas. Maar zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, is gebleken dat de vreemdeling vanwege zijn medische situatie nog altijd niet in staat is om gehoord te worden. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 28 van de Procedurerichtlijn er niet aan in de weg staat om de aanvraag van de vreemdeling buiten behandeling te stellen. Het staat de vreemdeling vrij om, als zijn situatie is gewijzigd, een nieuwe aanvraag in te dienen. 2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Wissels lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2022 936
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...