Zaak

ECLI:NL:RVS:2022:1719

Instantie
Raad van State
Datum
2022-06-16
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202201625/1/V1
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.373 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 20 januari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202201625/1/V1. Datum uitspraak: 16 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kind, en [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], en [vreemdeling 4], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amersfoort, van 9 maart 2022 in zaak nr. NL22.1049, NL22.1051, NL22.1053, NL22.1055 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 20 januari 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 9 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. N.M. Weteling, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1324, onder 5.1 en 7.5, over de opschorting van de overdrachtstermijn door een interim measure van het EHRM en over het ontbreken van een maximale duur van de opschorting van de overdrachtstermijn). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.  Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Beerse Griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2022 886

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...