Zaak

ECLI:NL:RVS:2021:738

Instantie
Raad van State
Datum
2021-04-07
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202002809/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
78.701 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. De vreemdeling komt uit Mongolië. Hij voert in deze procedure aan dat hij als biseksuele queer transman, waardoor hij behoort tot de groep lhbti, problemen heeft ondervonden in Mongolië en dat hij hierdoor niet kan terugkeren. Hij is mishandeld en bedreigd en stelt dat de autoriteiten onvoldoende bescherming hebben geboden nadat hij aangifte hiervan had gedaan. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem Mongolië ook voor de vreemdeling een veilig land van herkomst is.

05Kern

Materiële kern

202002809/1/V2. Datum uitspraak: 7 april 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 1 mei 2020 in zaak nr. NL19.24748 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 1 mei 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vreemdeling en de staatssecretaris zich nader uitgelaten. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2021, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat en mr. D.I. van Weerden, advocaten te Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1.       De vreemdeling komt uit Mongolië. Hij voert in deze procedure aan dat hij als biseksuele queer transman, waardoor hij behoort tot de groep lhbti, problemen heeft ondervonden in Mongolië en dat hij hierdoor niet kan terugkeren. Hij is mishandeld en bedreigd en stelt dat de autoriteiten onvoldoende bescherming hebben geboden nadat hij aangifte hiervan had gedaan. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem Mongolië ook voor de vreemdeling een veilig land van herkomst is. Mongolië is namelijk door de staatssecretaris op 9 februari 2016 aangewezen als veilig land van herkomst en dit is ongewijzigd gebleven bij de herbeoordelingen van 11 juni 2018 en 30 september 2020. Zie de brieven van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 11 juni 2018, kenmerk 2280767 (hierna: de brief van 11 juni 2018), en van 30 september 2020, kenmerk 2592622 (hierna: de brief van 30 september 2020). 1.1.    Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat Mongolië in het algemeen, voor de lhbti-groep waartoe hij behoort, of voor hem persoonlijk niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. In zijn hogerberoepschrift stelt de vreemdeling de manier waarop de staatssecretaris de situatie in als veilige landen van herkomst aangewezen landen herbeoordeelt en de toepassing daarvan in deze zaak aan de orde. 1.2.    De Afdeling heeft in 2016 al uitspraak gedaan over de manier waarop de staatssecretaris zijn onderzoek moet verrichten als hij een land van herkomst voor de eerste keer als veilig land aanwijst (de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474 en de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal in die zaak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2040). Deze uitspraak zal met name gaan over de zaaksoverstijgende vraag of de manier van herbeoordelen door de staatssecretaris in overeenstemming is met artikel 37, tweede lid, van de Procedurerichtlijn (hierna: de Pri), zoals geïmplementeerd in artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000. Die vraag zal worden beantwoord aan de hand van het hogerberoepschrift van de vreemdeling en wat in het kader van de zitting bij de Afdeling aan de orde is geweest. Dat wil zeggen de zitting zelf, maar ook de voorafgaand aan de zitting door de Afdeling gestelde vragen aan partijen (zie bijlage 2 van deze uitspraak), en hun reacties daarop. 1.3.    Bij die beoordeling van de manier van herbeoordelen staat de uitleg van het Unierecht voorop. Dit omdat de manier waarop de staatssecretaris moet omgaan met het begrip veilig land van herkomst in de Pri is genormeerd. Artikel 37, tweede lid, van de Pri, waaruit de herbeoordelingsplicht voor lidstaten volgt, is geïmplementeerd en nagenoeg woordelijk overgenomen in artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000. Daarom is de uitleg van artikel 37, tweede lid, van de Pri bepalend voor de uitleg van artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000 en de beoordeling van de rechtmatigheid van de manier waarop de staatssecretaris daarmee omgaat. 1.4.    Deze uitspraak heeft uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en door de fundamentele aard van de rechtsvragen die worden behandeld een algemene, zaaksoverstijgende strekking. Daarom geeft de Afdeling in deze uitspraak ook een uitgebreide en algemeen geformuleerde motivering. Die motivering is van belang voor lopende en toekomstige zaken van andere vreemdelingen - ook uit andere landen dan Mongolië - die gemotiveerd uitleggen waarom de staatssecretaris ten onrechte bij de herbeoordeling van de situatie in hun land van herkomst heeft geconcludeerd dat dat land nog steeds een veilig land van herkomst is. De in deze uitspraak geformuleerde algemene overwegingen worden daarnaast specifiek toegepast op het hoger beroep van de vreemdeling. De Afdeling gebruikt in deze uitspraak de term lhbti. Dit doet zij omdat de vreemdeling zelf, maar ook de staatssecretaris die term gebruikt om de groep te omschrijven waartoe de vreemdeling behoort. 1.5.    De Afdeling betrekt bij haar toetsing ook de stukken waarop partijen pas na de uitspraak van de rechtbank een beroep hebben gedaan, bijvoorbeeld de nieuwe herbeoordeling van 30 september 2020. Dit doet zij uit het oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en de actualiteitswaarde van deze uitspraak. Deze toetsing beperkt zich, gelet op de artikelen 8:65, eerste lid, en 8:69, eerste lid, van de Awb, tot het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling op 14 januari 2021 (uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4200, onder 3.1.). 1.6.    De toepasselijke regelgeving, waaronder de in deze uitspraak genoemde bepalingen uit de Pri en het Vb 2000, is opgenomen in bijlage 1, die deel uitmaakt van deze uitspraak. In de uitspraak wordt kortheidshalve gesproken over het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. Daaronder moet echter ook worden begrepen ‘internationale bescherming’ in de zin van de Kwalificatierichtlijn en de toepasselijke bepalingen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Volgorde behandeling 2.       De Afdeling behandelt hierna aan de hand van de grieven de herbeoordeling van de situatie in Mongolië als veilig land van herkomst. Na een weergave van de grieven (onder 3.-3.4.) zal, met het oog op wat hiervoor onder 1.2.-1.4. is overwogen over het belang van deze uitspraak voor andere asielzaken, uiteen worden gezet hoe de staatssecretaris zijn herbeoordelingen in het algemeen uitvoert (onder 4.-4.10.). De Afdeling zal, na de uiteenzetting van de reactie van de vreemdeling hierop (onder 5.-5.6.), over de rechtmatigheid daarvan een oordeel geven (onder 6.-11.). 2.1.    Vervolgens zal de Afdeling deze algemene uitgangspunten toepassen op de toetsing van de herbeoordeling van Mongolië, omdat dat het land is waar de vreemdeling vandaan komt (onder 13.-24.). De Afdeling zal toetsen of de herbeoordeling van de situatie in Mongolië voldoet aan de daarvoor in de Pri gestelde eisen en of deze zorgvuldig heeft plaatsgevonden. In het bijzonder zal de Afdeling daarbij antwoord geven op de vraag of de staatssecretaris Mongolië recent genoeg heeft herbeoordeeld en of hij bij de herbeoordeling de informatie heeft betrokken die de regelgeving voorschrijft. Ten slotte behandelt de Afdeling het betoog van de vreemdeling dat Mongolië voor hem persoonlijk niet veilig is. Daarbij behandelt de Afdeling dus het asielrelaas van de vreemdeling, dat wil zeggen de redenen voor hem om Mongolië te verlaten en om in Nederland om bescherming te vragen. Aan het slot van de uitspraak vat de Afdeling de overwegingen samen (onder 28.-34.). Grieven vreemdeling 3.       De vreemdeling klaagt in de grieven, in hun onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris Mongolië terecht nog steeds aanmerkt als veilig land van herkomst, ook voor lhbti en voor hem persoonlijk. Hij klaagt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de manier van herbeoordelen, genoemd in de brief van 11 juni 2018, niet voldoet aan de eisen die aan de herbeoordeling zijn gesteld in artikel 37 van de Pri, zoals geïmplementeerd in artikel 3.105ba van het Vb 2000. Volgens die artikelen moet de staatssecretaris de situatie in landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw onderzoeken. 3.1.    Hieraan is volgens de vreemdeling in het geval van de herbeoordeling van Mongolië niet voldaan, omdat de situatie in het land is onderzocht aan de hand van een te beperkt aantal criteria en omdat bij de herbeoordeling niet de in artikel 37, derde lid, van de Pri genoemde informatiebronnen zijn gebruikt. Ook heeft de staatssecretaris zich niet aan zijn eigen voornemen gehouden om elk als veilig land aangewezen land eenmaal per jaar te herbeoordelen (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, onder 3.4.2.). 3.2.    Verder klaagt de vreemdeling dat de staatssecretaris onvoldoende is ingegaan op de door hem aangevoerde, meer actuele informatie over Mongolië. Ook het ter zitting bij de rechtbank daarover door de staatssecretaris ingenomen standpunt is volgens de vreemdeling in het licht van de toepasselijke regelgeving ontoereikend, waardoor de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. 3.3.    Tot slot klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de beschikbare landeninformatie en wat hij zelf heeft meegemaakt, blijkt dat hij geen effectieve bescherming van de autoriteiten kan krijgen in Mongolië, waardoor Mongolië voor hem persoonlijk niet veilig is. 3.4.    De vreemdeling heeft in zijn antwoorden op de door de Afdeling gestelde vragen en ter zitting bij de Afdeling zijn grieven nader toegelicht en gereageerd op de uitleg van de staatssecretaris over zijn manier van herbeoordelen (zie verder onder 5.-5.6.). Uitleg staatssecretaris over de manier van herbeoordelen in het algemeen 4.       In onder meer de brieven van 11 juni 2018 en 30 september 2020 stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat een herbeoordeling van een veilig land geen volledige beoordeling hoeft te zijn, zoals de beoordeling die plaatsvindt als een land voor het eerst wordt aangewezen als veilig land van herkomst. Volgens de staatssecretaris volstaat in eerste instantie een ‘snelle herbeoordeling’, zoals hij dat noemt. Dat wil zeggen een herbeoordeling die eruit bestaat dat de staatssecretaris beziet of de situatie in het land aanmerkelijk is gewijzigd sinds de vorige (her)beoordeling. 4.1.    Dit gebeurt aan de hand van de belangrijkste criteria voor het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst. De staatssecretaris hanteert acht criteria, namelijk: ‘democratisch bestuur’, ‘bescherming van het recht op vrijheid en veiligheid van de persoon’, ‘vrijheid van meningsuiting’, ‘vrijheid van godsdienst en vereniging’, ‘bescherming tegen discriminatie en vervolging door derden’, ‘toegang tot onafhankelijk onderzoek’, ‘toegang tot een onafhankelijke rechterlijke macht’, en ‘toegang tot rechtsmiddelen’. 4.2.    Hij bekijkt bij de snelle herbeoordeling aan de hand van al deze criteria of er wijzigingen hebben plaatsgevonden in een land. Als hij op het gebied van één van de eerste drie criteria, dat wil zeggen ‘democratisch bestuur’, ‘bescherming van het recht op vrijheid en veiligheid van de persoon of vrijheid van meningsuiting’, of op een meerderheid van alle criteria een aanmerkelijke achteruitgang constateert, dan volgt een uitgebreidere herbeoordeling van de situatie in dat land, aan de hand van de relevante, beschikbare informatie uit de bronnen, genoemd in artikel 37, derde lid, van de Pri. In afwachting van de uitkomst van dat onderzoek schort de staatssecretaris de aanwijzing van dat land als veilig land van herkomst tijdelijk op. Dat wil zeggen dat hij vreemdelingen afkomstig uit dat land tijdelijk niet behandelt als afkomstig uit een veilig land van herkomst. 4.3.    De staatssecretaris heeft in zijn antwoorden op de door de Afdeling gestelde vragen en ter zitting bij de Afdeling de snelle herbeoordeling nader toegelicht. Het doel van die herbeoordeling is om te kijken of er ontwikkelingen zijn die aanleiding geven om een land van de lijst van veilige landen van herkomst te schrappen of om binnen dat land een groep te definiëren of een regio aan te wijzen die moet worden uitgezonderd, dan wel waaraan verhoogde aandacht moet worden besteed. Het land wordt dan niet als veilig land van herkomst aangemerkt voor leden van die groep of vreemdelingen afkomstig uit dat deel van het land. De staatssecretaris heeft toegelicht dat hij heeft gezocht naar een efficiënte werkwijze waarbij dit doel wordt bereikt. 4.4.    Volgens de staatssecretaris laten artikel 37 van de Pri en punt 48 van de considerans ruimte voor deze snelle herbeoordeling. De situatie in een land zoals die uit de eerste beoordeling en de aanwijzing als veilig land van herkomst naar voren is gekomen, dient als uitgangspunt voor deze herbeoordeling. De ervaring leert volgens hem dat bij de gehanteerde werkwijze voldoende oog is voor ontwikkelingen in bepaalde landen. Hierdoor blijven landen niet ten onrechte als veilig aangemerkt en worden groepen en regio's uitgezonderd als dat nodig is. Als een vreemdeling vindt dat een land ten onrechte op de lijst staat of dat een groep of regio ten onrechte niet is uitgezonderd, kan hij dit aan de hand van actuele informatie in zijn zaak betogen. Deze informatie bekijkt en betrekt de staatssecretaris vervolgens in het besluit en zo nodig ook bij de herbeoordeling. Uitleg staatssecretaris over bronnen en informatie 4.5.    De staatssecretaris gebruikt voor de snelle herbeoordeling met name de landenrapporten van het US State Department en de rapporten van Freedom House. Deze bronnen gebruikt hij omdat deze volgens hem jaarlijks, inzichtelijk, grondig en met oog voor kwetsbare groepen, rapporteren over de mensenrechtensituatie in de betrokken landen. Bovendien hebben zij steeds min of meer dezelfde structuur en dat is handig voor de vergelijking met voorgaande jaren. Volgens de staatssecretaris is het, anders dan bij de beoordeling voor het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst, bij een snelle herbeoordeling niet nodig om alle informatiebronnen die zijn genoemd in artikel 37, derde lid, van de Pri, te gebruiken. 4.6.    Hij heeft toegelicht dat punt 48 van de considerans van de Pri zo moet worden uitgelegd dat het gebruik van de daarin genoemde bronnen alleen nodig is bij de uitgebreide herbeoordeling. Die verricht hij als hij bij de snelle herbeoordeling heeft vastgesteld dat op het gebied van één van de eerste drie criteria of op een meerderheid van alle acht criteria een aanmerkelijke achteruitgang heeft plaatsgevonden in een als veilig land van herkomst aangemerkt land (zie hiervoor onder 4.1.-4.2.). Uitleg staatssecretaris over groepen en regio's 4.7.    De staatssecretaris heeft verder toegelicht dat uit de snelle herbeoordelingen die hij de afgelopen jaren heeft uitgevoerd, is gebleken dat kwetsbare groepen en kwetsbare regio's voldoende in beeld komen. De herbeoordelingen hebben er namelijk bij diverse landen toe geleid dat een land niet langer wordt aangemerkt als veilig land van herkomst voor bepaalde groepen, omdat zij na de herbeoordeling als groep zijn uitgezonderd. 4.8.    Ook is het voorgekomen dat bepaalde groepen zijn aangewezen als groep waaraan in zijn beslisproces verhoogde aandacht moet worden besteed. Dit in het kader van het onderzoek naar en de beoordeling van aanvragen van individuele vreemdelingen uit een bepaald, als veilig aangemerkt, land. Volgens de staatssecretaris laat dit zien dat er bij de snelle herbeoordelingen voldoende aandacht is voor kwetsbare groepen en regio's. Juist in de door hem daarbij gebruikte bronnen wordt uitdrukkelijk ingegaan op de positie van kwetsbare groepen en regio's. Van belang is ook de expertise van de medewerkers die de herbeoordelingen uitvoeren en veel praktijkervaring hebben. Uitleg staatssecretaris over de frequentie van de herbeoordelingen 4.9.    Tot slot is de staatssecretaris teruggekomen van zijn eerder gedane mededeling in een andere zaak, die diende ter zitting en die resulteerde in de Afdelingsuitspraak van 14 september 2016, dat hij jaarlijks een herbeoordeling zal uitvoeren voor alle landen die hij als veilig land van herkomst heeft aangemerkt (uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474). In de praktijk is gebleken dat dit niet nodig en opportuun wordt geacht. Volgens hem verandert er in een jaar in de als veilig aangewezen landen vaak weinig. Het nieuw gehanteerde uitganspunt is daarom geworden dat hij de situatie in elk als veilig aangewezen land binnen anderhalf à twee jaar herbeoordeelt. Van dit uitgangspunt wijkt hij af als er signalen zijn dat de situatie in een land aanmerkelijk achteruitgaat. In dat geval voert hij de herbeoordeling eerder uit. 4.10.  De situatie in als veilig aangewezen landen van herkomst monitort de staatssecretaris continu. Signalen dat een land aanmerkelijk achteruit gaat, kunnen komen uit actuele berichtgeving, maar ook uit het onderzoek naar en de beoordeling van aanvragen van individuele vreemdelingen uit een bepaald, als veilig aangemerkt land. Volgens de staatssecretaris houdt hij dus steeds de actuele ontwikkelingen in de gaten. Ook heeft de staatssecretaris herhaald dat als er nader onderzoek nodig is naar de situatie in een land, de aanwijzing van dat land als veilig land van herkomst tijdelijk kan worden opgeschort, zodat vreemdelingen afkomstig uit dat land tijdelijk niet worden behandeld als afkomstig uit een veilig land van herkomst. Reactie van de vreemdeling over de manier van herbeoordelen 5.       De vreemdeling klaagt dat de herbeoordeling zoals de staatssecretaris die verricht niet voldoet aan de eisen die aan herbeoordelingen zijn gesteld in artikel 37, tweede lid, van de Pri. Dit heeft volgens hem gevolgen voor de kwaliteit van de herbeoordelingen. Hij heeft dit nader toegelicht in de antwoorden op de door de Afdeling gestelde vragen en ter zitting bij de Afdeling. 5.1.    De door de staatssecretaris gehanteerde snelle manier van herbeoordelen voldoet volgens de vreemdeling niet aan het vereiste om 'opnieuw te onderzoeken'. Hij betoogt dat opnieuw onderzoeken impliceert dat een nieuwe, inhoudelijke beoordeling plaatsvindt, die voldoet aan dezelfde wettelijke vereisten als die gelden voor de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst (zie de vorengenoemde Afdelingsuitspraak van 14 september 2016, onder 3.4.1.). Volgens hem is er geen reden de aanwijzing van een land en de herbeoordeling van de veiligheidssituatie in dat land aan de hand van verschillende vereisten te beoordelen. 5.2.    Het aanbrengen van verschil daartussen is volgens de vreemdeling ook niet in overeenstemming met de doelstellingen van de Pri en de context van de bepalingen die de veilige landen-exceptie normeren. Die dwingen juist tot eenzelfde beoordeling aan de hand van dezelfde vereisten. Er wordt volgens de vreemdeling immers uniformiteit beoogd met betrekking tot de toepassing van het 'veilig land van herkomst'-begrip en dit doel wordt aangetast als landen op verschillende manieren verschillende vormen van herbeoordelingen kunnen uitvoeren. De vreemdeling erkent wel dat de staatssecretaris bij de motivering van zijn herbeoordelingsonderzoek ter vergelijking kan kijken en verwijzen naar de eerdere (her)beoordeling. 5.3.    Ook moet de staatssecretaris volgens de vreemdeling bij zijn herbeoordelingsonderzoek de in artikel 37, derde lid, van de Pri genoemde informatiebronnen betrekken. Dit doet hij nu niet, terwijl uit punt 48 van de considerans blijkt dat dit moet. 5.4.    Verder betoogt de vreemdeling dat artikel 37, tweede lid, en punt 48 van de considerans van de Pri lidstaten verplichten tot regelmatig herbeoordelen en het evalueren of er tussentijds ingrijpende wijzigingen plaatsvinden in een land. De vreemdeling is van mening dat eens per jaar herbeoordelen als regel zou moeten gelden. De staatssecretaris heeft zelf ook kenbaar gemaakt dat hij de situatie in als veilig aangemerkte landen van herkomst gemiddeld eens per jaar opnieuw onderzoekt (zie de vorengenoemde Afdelingsuitspraak van 14 september 2016, onder 3.4.2.). 5.5.    Bovendien worden volgens de vreemdeling verschillende relevante landenrapporten jaarlijks uitgebracht. Bij deze frequentie kan de staatssecretaris aansluiten. De vreemdeling heeft ter zitting bij de Afdeling benadrukt dat moet worden voorkomen dat de staatssecretaris de frequentie van zijn periodieke herbeoordelingen steeds verder zal oprekken, omdat dan de actualiteitswaarde van de tegenwerping van de veilig-land-exceptie teniet wordt gedaan. Dan bestaat het risico dat de veiligheidssituatie in een land verslechtert, terwijl de staatssecretaris toch doorgaat met het aan een vreemdeling tegenwerpen dat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst. 5.6.    Over het tussentijdse monitoren van ingrijpende wijzigingen door de staatssecretaris merkt de vreemdeling op dat dit vaak niet snel genoeg tot veranderingen leidt in het beleid en dat een gewijzigde situatie in de praktijk ook onvoldoende wordt betrokken bij het onderzoek naar en de beoordeling van individuele asielrelazen van (groepen) vreemdelingen afkomstig uit een door de staatssecretaris als veilig aangemerkt land. Dit is vooral bij kwetsbare groepen die de staatssecretaris nog niet heeft uitgezonderd risicovol, volgens de vreemdeling. Het oordeel van de Afdeling 6.       De Afdeling zal in de overwegingen die hierna volgen een oordeel geven over de rechtmatigheid van de manier waarop herbeoordelingen van de door de staatssecretaris als veilige landen van herkomst aangemerkte landen worden verricht. De Afdeling gaat daarbij in op de vraag of de hiervoor uiteengezette werkwijze, zoals de staatssecretaris die heeft toegelicht, in overeenstemming is met artikel 37, tweede lid, van de Pri, zoals geïmplementeerd in artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000. Daarbij zal de Afdeling achtereenvolgens ingaan op de zorgvuldigheid en motivering van het herbeoordelingsonderzoek, de te gebruiken informatiebronnen en de frequentie van de herbeoordelingen. 6.1.    Omdat artikel 37, tweede lid, van de Pri met nagenoeg identieke bewoordingen is omgezet in artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000, moet artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000 worden uitgelegd volgens de door het Hof van Justitie in zijn rechtspraak beschreven methode (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2669, onder 8.-8.1.). 6.2.    Volgens die methode is bij de uitleg van de tekst van artikel 37, tweede lid, in de eerste plaats een vergelijking van de verschillende taalversies vereist (zie punt 18 van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, en punt 28 van het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 1996, C-72/95, Kraaijeveld, ECLI:EU:C:1996:404). In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de algemene opzet, de context, en de doelstellingen van de richtlijn. Hierbij kan de considerans van de richtlijn de inhoud van de bepaling preciseren (zie punt 42 van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, C-554/13, Z. Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377). Bij de uitleg kan ook de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn worden betrokken (vergelijk punt 12 van het arrest van het Hof van Justitie van 13 december 1989, C-342/87, Genius Holding BV, ECLI:EU:C:1989:635, en zie punt 58 van het arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2015, C-373/13, H.T., ECLI:EU:C:2015:413). Welke eisen stelt de Pri aan de herbeoordeling? 7.       In de Nederlandse tekst van artikel 37, tweede lid, van de Pri staat dat lidstaten de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, ‘regelmatig opnieuw onderzoeken’. De eisen: wat betekent 'opnieuw onderzoeken'? 7.1.    De eerste vraag is welk onderzoek het vereiste om 'opnieuw te onderzoeken' inhoudt. Noch in de Pri noch in de Nederlandse implementatie daarvan is geconcretiseerd hoe de staatssecretaris het onderzoek dat aan de herbeoordeling ten grondslag ligt, moet verrichten. 7.2.    Een vergelijking met de verschillende taalversies van artikel 37, tweede lid, van de Pri levert geen duidelijkheid voor het antwoord op de vraag of het herbeoordelingsonderzoek op dezelfde manier moet plaatsvinden als het onderzoek voorafgaand aan de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst. Zoals de vreemdeling immers zelf ook heeft erkend, worden niet in alle taalversies dezelfde bewoordingen gebruikt. Hierdoor is er niet een normale betekenis van het woord, waarvan kan worden uitgegaan (zie punt 56 van het arrest van het Hof van Justitie 19 maart 2019, C-163/17, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218). Het woord 'opnieuw' zou een indicatie kunnen zijn dat lidstaten wederom een volledig onderzoek moeten verrichten, maar uit een vergelijking met de Duitse, Engelse en Franse taalversies blijkt dat het woord 'opnieuw' niet in alle taalversies wordt gebruikt. De Duitse, Engels en Franse tekst van artikel 37, tweede lid, van de Pri luiden: Die Mitgliedstaaten überprüfen regelmäßig die Lage in Drittstaaten, die gemäß diesem Artikel als sichere Herkunftstaaten bestimmt wurden. Member States shall regularly review the situation in third countries designated as safe countries of origin in accordance with this Article. Les États membres examinent régulièrement la situation dans les pays tiers désignés comme pays d’origine sûrs conformément au présent article. Het in de Nederlandse taalversie gestelde vereiste om 'opnieuw' te onderzoeken lijkt ook in het Duitse 'überprüfen' en het Engelse 'review' terug te komen, maar ontbreekt in het Franse 'examinent'. 7.3.    De algemene opzet en context van de Pri bieden meer duidelijkheid over de manier waarop de staatssecretaris het herbeoordelingsonderzoek moet uitvoeren. Uit artikel 37, eerste lid, van de Pri volgt dat de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst overeenkomstig bijlage I van de Pri moet gebeuren. In bijlage I staat wanneer een land als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Uit het tweede lid van artikel 37 van de Pri volgt de verplichting voor lidstaten om de situatie in als veilige landen van herkomst aangemerkte landen regelmatig opnieuw te onderzoeken, en in het derde lid staat welke informatiebronnen de staatssecretaris bij de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is, moet gebruiken. 7.4.    In artikel 37, tweede lid, van de Pri staat niet uitdrukkelijk dat het 'opnieuw onderzoeken' overeenkomstig het eerste lid en bijlage I moet gebeuren. Wel lijkt uit het derde lid te kunnen worden afgeleid dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de eisen aan de manier van beoordelen voorafgaand aan de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst en de manier van herbeoordelen van die landen. In het derde lid staat immers: De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. In het derde lid staat dus 'de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel', en niet 'overeenkomstig het eerste lid'. Hieruit kan in ieder geval worden afgeleid dat voor de te gebruiken bronnen bij het onderzoek geen onderscheid wordt gemaakt tussen het onderzoek voorafgaand aan het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst en het onderzoek voorafgaand aan een herbeoordeling. Dat is een eerste indicatie dat er, zoals de vreemdeling betoogt, maar één manier van beoordelen is en dat het herbeoordelingsonderzoek dus aan dezelfde eisen moet voldoen als het onderzoek voor de aanwijzing. 7.5.    De doelstelling en geschiedenis van de totstandkoming van de Pri bieden vervolgens nog meer duidelijkheid over de manier waarop de staatssecretaris moet herbeoordelen. In punt 48 van de considerans staat het volgende: Om ervoor te zorgen dat de 'veilig land'-begrippen correct en op basis van actuele informatie worden toegepast, moeten de lidstaten de situatie in die landen regelmatig evalueren op basis van een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie van andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. Hieruit kan worden afgeleid dat het herbeoordelen tot doel heeft om het 'veilig land'-begrip in de Unie consistent te blijven toepassen, na de eerste beoordeling. 7.6.    Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Pri (zie het Commissievoorstel COM (2009) 554 definitief, blz. 8). Daaruit volgt namelijk dat de destijds voorgestelde wijzigingen in de Pri moesten leiden tot een meer samenhangende toepassing door de lidstaten van het begrip ‘veilig land van herkomst'. 'Gemeenschappelijke materiële vereisten', 'het regelmatig opnieuw onderzoeken van de situatie in als veilig aangemerkte derde landen' en 'procedurele waarborgen die op uniforme wijze worden toegepast in alle lidstaten die voor dit instrument hebben gekozen', werden genoemd als middelen om deze meer samenhangende toepassing van het begrip te bereiken. 7.7.    Zoals de vreemdeling terecht betoogt, volgt dus uit de algemene opzet, context, doelstellingen en totstandkoming van de geschiedenis van de Pri dat het 'veilig land van herkomst'-begrip steeds zo consistent mogelijk moet worden uitgelegd. Dit impliceert dat de herbeoordeling een onderzoek moet inhouden waarbij de staatssecretaris, net als bij het onderzoek waaruit de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst is voortgevloeid, opnieuw moet beoordelen of op dat moment aan alle vereisten voor zo'n aanwijzing is voldaan. De eisen: hoe vaak moeten lidstaten 'opnieuw onderzoeken'? 7.8.    De tweede vraag is wat 'regelmatig opnieuw onderzoeken' als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Pri betekent. Ook dit is niet in de Pri of in de Nederlandse implementatie daarvan geconcretiseerd. Er is geen termijn voorgeschreven waarbinnen moet worden herbeoordeeld. 7.9.    Een vergelijking tussen de verschillende taalversies van de Pri levert ook hier geen duidelijkheid op. Ook in de Franse, Engelse en Duitse taalversies van artikel 37, tweede lid, van de Pri staat slechts dat de herbeoordelingen regelmatig moeten plaatsvinden, zonder dat wordt geconcretiseerd wat onder 'regelmatig' moet worden verstaan. 7.10.  Uit punt 48 van de considerans van de Pri, gelezen in samenhang met artikel 37 van de Pri, blijkt dat met de herbeoordeling wordt beoogd het begrip 'veilig land' correct en op basis van actuele informatie toe te passen. Ook moeten lidstaten tussen de periodieke herbeoordelingen door de situatie in als veilige landen van herkomst aangemerkte landen in de gaten houden. De herbeoordelingen en het voortdurend monitoren zijn dus bedoeld om zo snel mogelijk te kunnen signaleren of de situatie in een veilig land van herkomst mogelijk verslechtert (zie punt 28 van het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, C-404/17, A., ECLI:EU:C:2018:588). 7.11.  Uit de systematiek, doelstellingen en geschiedenis van de totstandkoming van de Pri (zie hiervoor onder 7.3.-7.6.) volgt dat met de gekozen termijn voor het regelmatig uitvoeren van de herbeoordelingen moet kunnen worden gewaarborgd dat landen niet ten onrechte op de lijst van veilige landen van herkomst blijven staan en dat het 'veilig land'-begrip zo consistent mogelijk wordt toegepast. Dat wil zeggen dat het 'veilig land'-begrip zo gelijk mogelijk wordt toegepast in alle lidstaten, onafhankelijk van de vraag of het gaat om een land dat voor het eerst wordt aangewezen als veilig land van herkomst of om een land waarvan de situatie in dat land wordt herbeoordeeld. Hoewel aan de lidstaten enige ruimte wordt gelaten om in te vullen hoe vaak de periodieke herbeoordelingen nodig zijn, moet met de gekozen termijn worden gewaarborgd dat verslechteringen in de situatie in een land zo snel mogelijk worden opgemerkt. De eisen: tussenconclusie 7.12.  Uit de algemene opzet, context, doelstellingen en totstandkoming van de geschiedenis van de Pri volgt dat het begrip 'veilig land van herkomst' steeds zo consistent mogelijk moet worden uitgelegd. Het herbeoordelingsonderzoek moet daarom voldoen aan dezelfde eisen als het onderzoek voorafgaand aan de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst. Daarmee wordt ook bereikt dat landen op een uniforme wijze herbeoordelen en het 'veilig land'-begrip toepassen. 7.13.  Om het 'veilig land'-begrip consistent toe te passen, moeten lidstaten ervoor zorgen dat zij eventuele verslechteringen zo snel mogelijk opmerken zodat landen niet ten onrechte als veilig land van herkomst aangewezen blijven. Hieronder zal de Afdeling beoordelen of de snelle herbeoordeling, die de staatssecretaris nu als standaard werkwijze voor de herbeoordelingen hanteert, aan de in de Pri gestelde vereisten voldoet. Voldoet de snelle herbeoordeling op basis van de gehanteerde criteria aan de Pri? 8.       De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, onder 3.4.1., uitgelegd waaraan het onderzoek dat de staatssecretaris moet verrichten, moet voldoen voordat hij een land kan aanwijzen als veilig land van herkomst. Vereist is dat de staatssecretaris onderzoekt of, gelet op de toepasselijke regelgeving in het land, algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt. Hij moet hierbij de juridische en feitelijke situatie in het land onderzoeken. Het herbeoordelingsonderzoek moet, zoals hiervoor is overwogen, aan dezelfde eisen voldoen. 8.1.    De staatssecretaris moet niet alleen onderzoeken of er wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt en het voor de autoriteiten in dat land mogelijk maakt om hiertegen bescherming te bieden, maar hij moet ook onderzoeken of de wet- en regelgeving in de praktijk wordt toegepast en bescherming ook daadwerkelijk wordt geboden (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 7 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1838, onder 9., over de aanwijzing van Georgië als veilig land van herkomst). 8.2.    Dat de staatssecretaris als uitgangspunt heeft dat hij een snelle herbeoordeling uitvoert aan de hand van de acht criteria, genoemd onder 4.1., is op zichzelf niet in strijd met artikel 37, tweede lid, van de Pri, dat is geïmplementeerd in artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000. Door te onderzoeken of er wijzigingen plaatsvinden op het gebied van ‘democratisch bestuur’, ‘bescherming van het recht op vrijheid en veiligheid van de persoon’, ‘vrijheid van meningsuiting’, ‘vrijheid van godsdienst en vereniging’, ‘bescherming tegen discriminatie en vervolging door derden’, ‘toegang tot onafhankelijk onderzoek’, ‘toegang tot een onafhankelijke rechterlijke macht en toegang tot rechtsmiddelen’, kan de staatssecretaris de vereiste volledige heroverweging maken of een land nog steeds voldoet aan de eisen om als veilig land van herkomst te worden aangemerkt. 8.3.    De criteria zijn zo geformuleerd dat de staatssecretaris zich hiermee in het algemeen een zorgvuldig beeld kan vormen van de relevante ontwikkelingen in een land op het gebied van de mensenrechtensituatie en de bescherming die de autoriteiten van dat land bieden tegen vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Zoals de staatssecretaris in de antwoorden op de door de Afdeling gestelde vragen en ter zitting heeft uitgelegd, wordt met deze manier van herbeoordelen ook voldoende oog gehouden voor mogelijk kwetsbare groepen en regio's binnen een land. Dit heeft er bij de afgelopen herbeoordelingen ook meerdere keren toe geleid dat groepen zijn uitgezonderd of zijn aangewezen als groepen die onder verhoogde aandacht staan. Anders dan de vreemdeling aanvoert, is de snelle herbeoordeling als zodanig niet in strijd met artikel 37, tweede lid, van de Pri. 8.4.    Dat de staatssecretaris opnieuw onderzoek moet verrichten, betekent niet dat hij daarbij het eerder verrichte onderzoek naar de situatie in een land niet als uitgangspunt van zijn onderzoek kan nemen en daarnaar kan verwijzen. Ook als de staatssecretaris nagaat wat er is veranderd ten opzichte van het eerdere onderzoek, kan hij het vereiste onderzoek verrichten en de vereiste motivering geven waarom het land nog steeds een veilig land van herkomst is. Wel moet worden gewaarborgd dat de informatie die de staatssecretaris gebruikt recent is en dateert van na dat eerdere onderzoek (zie punt 48 van de considerans van de Pri). Verder is vereist dat de staatssecretaris de herbeoordeling inzichtelijk motiveert om te verzekeren dat een vreemdeling daartegen kan opkomen en dat deze daadwerkelijk, effectief en zonder terughoudendheid door de bestuursrechter kan worden getoetst. Dit met het oog op de belangen die het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM beogen te beschermen. 8.5.    De staatssecretaris moet dus ook over het nieuwe onderzoek, dat ten grondslag ligt aan de herbeoordeling, een kenbare en deugdelijke verantwoording afleggen. Hij moet een motivering geven over de door hem bij de aanwijzing gebruikte informatie en hoe hij daaruit de conclusie heeft getrokken dat een land in het licht van de maatstaven van artikel 3.37f van het VV 2000 een veilig land van herkomst blijft (vergelijk de vorengenoemde Afdelingsuitspraak van 14 september 2016, onder 3.5.). 8.6.    Als de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat er sinds de aanwijzing of eerdere herbeoordeling zich geen aanmerkelijke wijzigingen in de situatie in dat land hebben voorgedaan, zal hij bij de herbeoordeling in veel gevallen kunnen volstaan met een korte uitleg onder verwijzing naar de door hem daarvoor gebruikte bronnen (zie hierover hierna onder 9.1.-9.2. meer) en een verwijzing naar de aanwijzing of eerdere herbeoordeling. Als er indicaties zijn dat er wel relevante en wezenlijke wijzigingen in de veiligheidssituatie hebben plaatsgevonden, dan zal de motivering van de staatssecretaris uitgebreider moeten zijn en meer inzicht moeten bieden in de manier waarop hij het onderzoek naar die ontwikkelingen heeft verricht en aan de hand van welke bronnen hij dit heeft gedaan. 8.7.    Omdat het de staatssecretaris is die een vreemdeling in een concrete zaak tegenwerpt dat het land van herkomst veilig is, komt het voor zijn risico als de snelle herbeoordeling in een concreet geval niet voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt. De vreemdeling kan bestrijden dat de herbeoordeling aan deze eisen voldoet. Verder heeft hij de in de vorengenoemde Afdelingsuitspraak van 14 september 2016, onder 3.13.-3.13.3., genoemde mogelijkheid om het standpunt van de staatssecretaris over de veiligheidssituatie in zijn land van herkomst in het kader van het onderzoek naar en beoordeling van zijn asielmotieven te bestrijden en actuele informatie over de voor hem relevante veiligheidssituatie aan te voeren (zie ook de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2040, in punt 5.12). Hierbij kan hij ook gemotiveerd betogen dat de staatssecretaris de aanwijzing van zijn land v

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...