ECLI:NL:RVS:2021:2858
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2021-12-16
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 1 september 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Materiële kern
202005612/3/V3. Datum uitspraak: 16 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 oktober 2020 in zaak nr. NL20.16258 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 1 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 13 oktober 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld. De vreemdeling heeft bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden. De vreemdeling heeft op 22 november 2021 een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend hangende het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2020 in de procedure over het besluit van 1 september 2020. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, bij uitsluiting bevoegd om dit verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar open. Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de feitelijke uitzetting wordt daarom aangemerkt als een aanvulling op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. 2. Het verzoek was erop gericht om te voorkomen dat de vreemdeling op 27 oktober 2021 werd uitgezet naar Polen. De staatssecretaris heeft echter de vreemdeling bericht dat die uitzetting is geannuleerd. Daarom bestaat geen belang bij beoordeling van het verzoek. 3. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Vonk griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2021 345-918
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...