ECLI:NL:RVS:2019:443
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2019-02-12
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Materiële kern
201809909/1/V3. Datum uitspraak: 12 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 december 2018 in zaak nr. NL18.18936 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 5 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris en vreemdeling hebben nadere stukken ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Uit het door de staatssecretaris ingediende nadere stuk blijkt dat hij op 11 januari 2019 het besluit van 11 oktober 2018 heeft ingetrokken en de aanvraag van vreemdeling alsnog in behandeling heeft genomen. Hiermee is hij de vreemdeling volledig tegemoetgekomen, zodat geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het hoger beroep maar wel een proceskostenveroordeling mogelijk is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM9389, onder 2.4). 2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier. w.g. Verheij w.g. Van Laar lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2019 279.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...