Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:2762

Instantie
Raad van State
Datum
2019-08-14
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201905721/1/V3 en 201905721/2/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.171 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 1 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

201905721/1/V3 en 201905721/2/V3. Datum uitspraak: 14 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 juli 2019 in zaak nr. NL19.15145 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij mondelinge uitspraak van 19 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. Ngasirin, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.    Het hogerberoepschrift bevat geen gronden. Daarom kan het hoger beroep niet in behandeling worden genomen. De Vw 2000 sluit namelijk uit dat buiten de termijn voor het indienen van hoger beroep alsnog gronden worden aangevoerd (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). 2.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II.    wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. w.g. Steendijk    w.g. Annen voorzieningenrechter    griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019 765.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...