Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:2737

Instantie
Raad van State
Datum
2019-08-12
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201903750/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.678 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 17 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

201903750/1/V3. Datum uitspraak: 12 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 mei 2019 in zaak nr. NL19.9O98 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 17 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 9 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat te Uden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.    In de enige grief is de rechtsvraag opgeworpen of het Bureau Medische Advisering met de beoordeling dat de vreemdeling in staat is om te reizen en het bepalen van de reisvoorwaarden die daarbij noodzakelijk zijn heeft voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. De Afdeling heeft deze rechtsvraag bij uitspraak van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2042, beantwoord. Uit de overwegingen 4 en 4.1. van die uitspraak, die hier ook van toepassing zijn, volgt dat de grief slaagt. 2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling, omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking hoeven, het beroep alsnog ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 mei 2019 in zaak nr. NL19.9O98; III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. w.g. Van Eck    w.g. Annen lid van de enkelvoudige kamer    griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2019 466-906.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...