Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:1692

Instantie
Raad van State
Datum
2019-05-23
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201902536/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.106 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 21 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

05Kern

Materiële kern

201902536/1/V3. Datum uitspraak: 23 mei 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4409 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 25 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.    Over de in grief 1 tot en met 4 vermelde klachten over opeenstapeling van gebreken tijdens de staandehouding, overbrenging en ophouding, heeft de Afdeling bij uitspraak van 23 mei 2019, zaak nr. 201902530/1/V3, al een oordeel gegeven. De overwegingen van die uitspraak zijn ook van toepassing in deze zaak en daaruit volgt dat de grieven slagen. 2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Wat de vreemdeling verder in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 februari 2019 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een daartoe strekkend bevel niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris, nu de minister van Justitie en Veiligheid, moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4409; III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.320,00 (zegge: vierduizend driehonderdtwintig euro) over de periode van 20 februari 2019 tot en met 14 april 2019, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; V.    veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.792,00 (zegge: zeventienhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier. w.g. Hoogvliet    w.g. Ahmady-Pikart lid van de enkelvoudige kamer    griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019 638-918.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...