← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBZWB:2026:2970

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 2026-04-14 · Voorlopige voorziening

Zaaknummer
26/2089 BESLU VV
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.895 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Derdelander. Oekraïne. Beëindiging opvang. Medische omstandigheden. Afgewezen.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/2089 BESLU VV uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake de mededeling dat hij de opvanglocatie aan [adres] te [plaats] moet verlaten. 1.1. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek . Feiten en omstandigheden 2. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en behoort tot de categorie derdelanders uit Oekraïne. Verzoeker verblijft in de opvanglocatie aan [adres] te [plaats] . 2.1. Met het besluit van 7 februari 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie (minister) aan verzoeker meegedeeld dat hij binnen vier weken na 4 maart 2024 moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 vervangen door het besluit van 29 juli 2025 (het terugkeerbesluit). Daarin is bepaald dat verzoeker binnen vier weken na de uitspraak op het beroep Nederland moet verlaten. 2.2. Met de uitspraak van 4 februari 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het terugkeerbesluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Met de uitspraak van 18 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dit hoger beroep ongegrond verklaard. 2.3. Met de brief van 9 maart 2026 heeft het college aan verzoeker meegedeeld dat hij de opvang uiterlijk op 7 april 2026 moet verlaten. Verzoeker heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij geen alternatieve woonruimte heeft. Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat hij momenteel onder medische behandeling staat. Tot slot heeft verzoeker een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tevens heeft hij aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. Bij tussenuitspraak van 7 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen . Daarbij is de werking van de brief van 9 maart 2026 opgeschort tot één week na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter neemt een spoedeisend belang aan. 3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 9 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Met deze brief zijn de rechten en plichten van verzoeker namelijk niet gewijzigd, omdat zijn recht op opvang met het terugkeerbesluit al is komen te vervallen. Met de brief van 9 maart 2026 is verzoeker alleen geïnformeerd over de gevolgen van dit terugkeerbesluit, namelijk dat hij de opvang moet verlaten. 3.2. Verzoeker heeft desondanks wel toegang tot de bestuursrechter. Dat volgt uit artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang bezien met de ‘Handreiking vertrek derdelanders’ (Handreiking). Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw wordt een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling namelijk gelijkgesteld met een besluit. In de Handreiking wordt ook naar dit artikel gewezen. De mogelijkheid om bezwaar te maken is echter beperkt tot de wijze waarop het college overgaat tot de feitelijke beëindiging van de opvang. 3.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaren van verzoeker, zoals de grond dat hij dakloos wordt als hij de opvang moet verlaten, zien op de beëindiging van de opvang op zich. Dat de opvang wordt beëindigd, volgt echter al direct uit het terugkeerbesluit en kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen. 3.4. Verzoeker heeft gesteld dat hij medische problemen heeft, waarvoor een hersteltijd van drie tot zes maanden staat. De voorzieningenrechter wijst erop dat in de Handreiking staat vermeld dat als in de bezwaarprocedure naar voren wordt gebracht dat er medische omstandigheden zijn waardoor de derdelander niet uit de opvang kan vertrekken, de gemeente hem dient door te verwijzen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voor het vragen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Dit staat echter los van de wijze waarop het college overgaat tot de feitelijke beëindiging van de opvang. 3.5. Tot slot kan verzoekers beroep op artikel 8 van het EVRM hem naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet baten. Dat verzoeker stelt een stabiel privé- en gezinsleven te hebben opgebouwd in Nederland, staat los van de wijze waarop het college overgaat tot de feitelijke beëindiging van de opvang. Conclusie en gevolgen 4. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. 4.1. Voor alle duidelijkheid wijst de voorzieningenrechter erop dat op grond van de eerder getroffen ordemaatregel de werking van de brief van 9 maart 2026 blijft opgeschort tot één week na deze uitspraak. Dit betekent dat verzoeker uiterlijk op 21 april 2026 de opvang moet verlaten. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ECLI:NL:RBDHA:2026:2027 ECLI:NL:RVS:2026:1471 ECLI:NL:RBZWB:2026:2659